Groot-Aziatisch geluk. Of niet?

Twaalf procent van de wereldbevolking speelt nu de baas over de rest. De opmars van China en India brengt wereldwijd verandering en verwarring teweeg. Welk van die twee maakt straks de dienst uit?

Bill Emmott: Rivals. How the power struggle between China, India and Japan will shape our next decade. Harcourt/Allan Lane, 314 blz. € 32,–

Kishore Mahbubani: The New Asian Hemisphere. The irresistible shift of global power to the east. Public Afffairs, 315 blz. € 23,–

William H. Overholt: Asia, America and the Transformation of Geopolitics. Cambridge University Press, 322 blz. € 22,–

Een paar kilometer buiten Peking bij Lugouqiao ligt het Museum van het Chinese Volk ter Herinnering aan de Oorlog tegen Japan. Het is een museum van het strijdbare soort, vooral bedoeld om Chinese schoolkinderen bij de vaderlandse les te houden. Het museum vertelt het verhaal van Japanse schanddaden in China, te beginnen in 1874 op Taiwan en eindigend in 1945. Hier wordt niet bepaald de nuance gezocht en het aantal Chinese slachtoffers geldt eigenlijk algemeen als een grove overdrijving: 35 miljoen. Dat getal kan niet kloppen. Op het Tokio Tribunaal kort na de oorlog waren het er 1,9 miljoen geweest en het cijfer is daarna blijven oplopen tot president Jiang Zemin op de vijftigste viering van het einde van de oorlog, in 1995, het getal 35 miljoen in de mond nam. Maar hij had het nog over de optelsom van doden én gewonden. In het museum is ook dat onderscheid verdwenen.

In het hartje van Tokio, vlakbij het park van het keizerlijke paleis, is ook een museum, het Yushukan. De tentoonstelling is vrij nieuw, voortgekomen uit particulier initiatief, en het motief is ‘de waarheid van de moderne Japanse geschiedenis in ere herstellen’. Het is het verhaal van de Japanse kwetsbaarheid in het verleden, het vertelt over de kleine enclaves die Japan geleidelijk in Mantsjoerije verwierf en over de Zuid-Mantsjoerije Spoorweg die Japan (van de Russen) in bezit nam, en hoe Japan orde bracht en grondstoffen veiligstelde in een steeds chaotischer wordend China. De moraal: Japan deed in een woelige wereld dapper zijn best.

Reizend door Azië is het niet zo moeilijk uit kleine waarnemingen grote conclusies te trekken. Een van die conclusies zou kunnen zijn dat de wereld regelrecht afstevent op een herhaling van het Japans-Chinese conflict van vroeger, maar dan – zoals alles tegenwoordig in Azië – groter. Maar wandel je een stukje verder in het Museum van het Chinese Volk, dan vind je ook ineens een ruimte vol pais en vree: premiers van beide landen die elkaar de hand schudden, verzoening, broederschap en herwonnen groot-Aziatisch geluk. En zo is het zo vaak met Azië: alles wat je al vermoedde, klopt. En het tegendeel ook.

Het vergrootglas van de wereldopinie ligt op dit continent van de dynamiek. De tijd van de beschouwingen over groei, gewin en how to do business is geleidelijk aan voorbij. Het gaat nu over oorlog en vrede, over nieuwe supermogendheden. Over een wereld die compleet ondersteboven wordt gekeerd of – om met de Singaporese intellectueel Kishore Mahbubani te spreken – waar de natuurlijke verhoudingen weer terugkeren. Immers, Azië was altijd al het centrum van de wereld. Alleen kwam er de laatste driehonderd jaar even wat tussen. De een ziet stijgende spanningen tussen de verouderende supermacht Amerika en de nieuwe kracht China. De ander ziet het begin van een nieuw internationaal stelsel, de derde vreest spanningen en conflicten binnen Azië zelf. Want Azië als homogeen continent bestaat niet.

Amerika verliest de regie en oude spanningen in Azië zelf krijgen weer de ruimte: zo kijkt de vroegere hoofdredacteur van The Economist, Bill Emmott naar Azië. Zijn boek heet Rivals en daarmee bedoelt hij niet Amerika en China, maar de diverse Aziatische mogendheden onderling: China, Japan, India. Emmott kan schrijven, heeft als correspondent in onder meer Japan veel kennis opgedaan en jongleert met kleinere en grotere waarnemingen om zijn argumentatie te staven. Vooral de economische materie beheerst hij. Uitvoerig staat hij stil bij onderhuidse spanningen tussen China en India. Schijnbaar onbeduidende grensgeschillen over stukken dorre grond winnen aan belang en het nucleaire pact tussen India en de VS uit 2006 krijgt de status van een doorbraak, vergelijkbaar met het bezoek van president Nixon aan China in 1972 – destijds een geniale zet om de Sovjet-Unie te isoleren, nu nog steeds stof voor opera’s. Emmott: ‘India is een land met het potentieel om de opkomende macht van China tegenwicht te bieden. George Bush’ besef van dit feit was zijn Richard Nixon-moment’.

Zou Bush dus toch nog op een onverwachte manier geschiedenis schrijven, omdat hij India toegang tot de mondiale kernwapenclub heeft verschaft in ruil voor een alliantie tegen China? Emmott schrikt een beetje voor deze conclusie terug, want wie durft een positieve recensie van Bush nog aan? Maar hij flirt met de gedachte en feit blijft dat Azië ten oosten van Pakistan het enige deel van de wereld is waar mensen inderdaad over het algemeen niet zo ontevreden zijn over de vertrekkende Amerikaanse president.

Wapenwedloop

De opkomst van Azië doet volgens Emmott meer denken aan de opkomst van Europa in de 19de eeuw: het begin van vooral onderlinge wedijver. De auteur analyseert uitlatingen en militaire programma’s en beschouwt de raket- en ruimtevaartprogramma’s van China en India als uitingen van een verkapte onderlinge wapenwedloop. Ook op de grond komen de twee elkaar steeds tegen, zoals in Birma, waar China de generaals paait omwille van het aardgas en de toegang tot de Golf van Bengalen, en waar India hetzelfde doet, ook omwille van aardgas en om China diezelfde toegang te verhinderen. Emmott citeert een hoge Indiase ambtenaar: ‘Je moet begrijpen dat wij allebei – India en China – denken dat wij de toekomst hebben. En we kunnen niet allebei gelijk hebben’.

Maar klopt dit wel?

William Overholt , schrijver van Asia, America and the Transformation of Geopolitics, gelooft er niets van: ‘China probeert zijn systeem niet aan de wereld op te leggen en het is niet expansionistisch’. Overholt heeft vele jaren in Azië gewoond, analyseerde onder meer voor grote banken en leidt nu het Azië-bureau van de denktank Rand. Dat merk je. Hij richt zich tot beleidsmakers en adviseurs, want die zouden de politieke leiders de juiste dingen moeten influisteren om van de renaissance van Azië een mondiaal succes te maken en ongelukken te voorkomen. Te veel Amerikaanse en Japanse politici zien onheil in de opkomst van China, betoogt hij, terwijl een welvarend China voor iedereen een betere wereld betekent. Zorgen maakt Overholt zich over de hysterie in Amerika tegen China. Anti-Chinese coalities vindt hij bedenkelijk of zinloos. India bijvoorbeeld heeft amper eenderde van het Chinese bruto nationaal product en ‘het raakt steeds verder achter op China, als economische macht en als een invloedrijke natie in de wereldpolitiek’.

Zoals het een denktankanalist betaamt, eindigt hij met scenario’s en geeft hij aanwijzingen hoe de wereld zijn laatste, het zesde, scenario werkelijkheid kan laten worden: ‘een tijdperk van vreedzame, competitieve economische dynamiek.’ Risico’s zijn er volop. Democratische presidentskandidaten laten zich samen met de Amerikaanse vakbonden gemakkelijk verleiden tot anti-Chinees protectionisme. Hillary Clinton had het in haar campagne bij het thema Handel met China over een ‘periode van bezinning’. Barack Obama gebruikt graag de term ‘fair’, hetgeen in het wereldhandelsjargon doorgaans niet op vrijhandel duidt.

Dat is volgens Overholt allemaal onverstandig, want zo’n vreedzaam tijdperk staat of valt met maatgevoel, waarbij China een economische partner wordt en Japan bondgenoot blijft. Overholt gokt op leiderschap en diplomatiek vakmanschap.

In vergelijking met zulke subtiliteiten is Kishore Mahbubani in The New Asian Hemisphere, The irresistible shift of global power to the east van een verfrissende stelligheid. Het Westen heeft in zijn ogen nog maar half in de gaten dat Azië de touwtjes in handen krijgt. Het Westen is onwetend en ook nog arrogant. In de grote Westerse bladen tref je ‘een incestueus discours aan onder geesten, die geloven dat 12 procent van de wereldbevolking die in het Westen leeft, de rest van de wereld, 88 procent, kan blijven domineren’.

Wereldbank

Natuurlijk heeft Mahbubani een punt. Maar er zit ook iets tegenstrijdigs in zijn betoog. Want enerzijds schildert hij de onstuitbare opmars van Azië, anderzijds bepleit hij voortdurend een grotere toegang van Aziatische landen tot internationale instellingen als de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds, de Veiligheidsraad, de Wereldhandelsorganisatie etcetera. Je zou dit soort organisaties toch ook als relicten van het verleden kunnen afschrijven in de stellige overtuiging dat Azië iets heel nieuws gaat beginnen. Zover gaat Mahbubani niet.

Veel Zuidoost-Aziatische landen hebben meer gemengde gevoelens bij de opkomst van China dan zij doorgaans plegen te debiteren, zo heb ik als correspondent gesignaleerd. Zij dreigen immers geheel te worden overschaduwd. Een nadrukkelijke aanwezigheid, ook van westerse staten in Azië, biedt tegenwicht. Het Westen is aanmatigend, egocentrisch, maakt zich druk om de verkeerde dingen (Midden-Oosten, islam), maar is dus ook voor Azië onmisbaar. Voor hen telt een goed internationaal stelsel, met veel aandacht voor Azië, maar met spelregels en grenzen voor de grote broeders in de buurt, India en China.

Wie de recente literatuur laat bezinken, blijft achter met mooie details, gevarieerde inzichten, maar ook met een soort tegenstrijdigheid. De opkomst van Azië is een geweldig succesverhaal – met honderden miljoenen mensen die het beter krijgen. De vlag kan dus uit. Maar ondertussen loopt door het discours een rode draad, en die heet bezorgdheid. Dat klopt eigenlijk niet. Mahbubani heeft wel een verklaring: ‘Als dit in Azië zo doorgaat, dan beseft het Westen dat op zekere dag de rekening moet worden betaald.’

In elk geval is dat een rekening die geen enkele Amerikaanse presidentskandidaat onder ogen durft te zien: het Westen heeft het dan niet meer voor het zeggen.

Een interview met Kishore Mahbubani staat op nrcboeken.nl