Dieet

Bij de dierenarts voelde ik me als een patiënt die te veel drinkt en nu weer bij zijn huisarts over bevende handen en geheugenverlies komt klagen.

We hadden immers een kat bij ons die we al drie jaar zonder enig succes probeerden te laten vermageren. Mijn vrouw had voor de reisjes naar de dierenarts zelfs een speciale trolley aangeschaft, waarin ze hem gemakkelijker kon vervoeren. Voor de sfeervollere, rieten reismand was de poes te zwaar geworden. In die trolley gaat haar kopje geheimzinnig schuil achter een soort zwart gaas – je zou het de nikab voor poezen kunnen noemen.

Allemaal leuke gedachtetjes, maar bij de dierenarts schiet je er niks mee op. Hij tilde Anne behendig uit haar trolley en zei: „Even kijken hoeveel kat dit is.”

Veel te veel dus. Terwijl hij haar vasthield, zag ik weer het uitgedijde buikje van een vrouw die het na haar vierde kind allemaal wel gelooft. Hij woog haar en noemde een getal dat hard aankwam: 6,1 kilogram. Dat betekende het volledige bankroet van al onze lijnpogingen die we drie jaar geleden op zijn dringende advies begonnen waren. En toen had ze nog maar 5,4 kilo gewogen!

De arts vroeg vriendelijk, maar vasthoudend hoeveel brokjes we haar elke dag gaven.

„Zeg jij het maar”, zei ik tegen mijn vrouw.

„Tachtig gram”, bekende ze.

De arts knikte. Het was geen groot nieuws voor hem. In een doorzichtige poging tot troost vertelde hij ons het verhaal van een andere klant, een bekende romanschrijver, die met een nog veel zwaardere kat bij hem was gekomen. Maar die had ten minste nog een excuus, want hij schreef ook dikke romans en niet van die korte stukjes zoals ik. (Dat dacht ikzelf, want mijn dierenarts is veel te beleefd om zoiets zelfs maar te suggereren.)

Wij vroegen de arts wat de gevolgen konden zijn van zoveel overgewicht. Hij begon aan een horrorscenario vol suikerziekte en alle daarbij behorende ellende als tweemaal per dag door ons (mijn vrouw graag) te geven injecties.

Wat te doen?

Daar kun je lang en breed over praten, maar het komt, net als bij mensen, steeds weer op hetzelfde neer: minder eten. „Een kat kan al van veertig gram leven”, vertelde de arts.

Veertig gram! Het duizelde ons. Hoe dat te bereiken met een kat die ons de hele dag de kop gek zanikt omdat zij ‘maar’ tachtig gram krijgt? De arts knikte meelevend, over de verongelijkte volharding van katten hoefde je hem niets te vertellen.

Hij wilde het ons dan ook niet te moeilijk maken en kwam met een tussenvoorstel: zestig gram. Op zijn computer rekende hij uit dat Anne over een maand nog maar vijf kilo zou wegen als we vanaf nu zestig gram per dag gaven.

We begonnen te beseffen hoe gunstig het was dat we binnenkort op vakantie zouden gaan. Dan zou zij van haar tijdelijke verzorger één keer per dag die zestig gram krijgen – en daarvan moest ze dan zien rond te komen, zeuren hielp niet meer.

We hesen haar weer in haar rijdende nikab en namen afscheid van onze arts.

„Je krijgt minder brokjes als we weg zijn”, waarschuwde ik haar op de terugweg in de tram.

„En je lezers laat je ook al in de steek”, snauwde ze terug.