De versterkte premier

De Tweede Kamer heeft vorige week de positie van de minister-president in het kabinet versterkt, terwijl het doel slechts was meer duidelijkheid te verkrijgen over de uitgaven voor het Koninklijk Huis. Premier Balkenende loodste het voorstel ‘Technische aanpassing en actualisering van de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis’ door de Kamer en stelde vast dat hij, als het om de uitgaven voor het Koninklijk Huis ministers straks „aanwijzingen” kan geven.

De Tweede Kamer gaf hem die ruimte, maar enkele staatsrechtdeskundigen stelden gisteren in deze krant dat de premier met deze oprekking van zijn bevoegdheden verder gaat dan de Grondwet hem toestaat. De Nijmeegse hoogleraar staatsrecht Boven’Eert meende dat Balkenende er „een rommeltje” van heeft gemaakt. Hoe dat zij, het was voor de Tweede Kamer geen belemmering om unaniem met het wetsvoorstel in te stemmen, waaraan aan de Grondwettelijke eis, dat dit met ten minste tweederde meerderheid dient te gebeuren, ruimschoots was voldaan.

In de Grondwet is in 1983 vastgelegd dat de minister-president alleen voorzitter is van de ministerraad en geen macht over andere ministers kan uitoefenen. Hij is de eerste onder zijn gelijken. Dat lijkt te passen bij de praktijk in Nederland waarin kabinetten altijd uit coalities van meer partijen bestaan. Overigens kent het Reglement van Orde van de ministerraad de premier veel invloed op de agenda toe – en die invloed gaat verder dan de coördinerende taak die hem toekomt.

Hoewel in het bijzonder de Tweede Kamerleden Spies (CDA) en Van Beek (VVD) vorige week signaleerden – opmerkelijk genoeg meer dan de Raad van State in zijn advies – dat de premier zijn bevoegdheden uitbreidt, maakte de Tweede Kamer er weinig woorden aan vuil. Dat moet dan maar in de Eerste Kamer gebeuren, waar het staatsrecht vanouds op meer belangstelling kan rekenen. Het treft alvast dat in de Eerste Kamercommissie, die in september met de behandeling van het voorstel begint, de PvdA’er Rehwinkel lid is. Hij schreef eerder een dissertatie over de positie van de minister-president.

Wat premier Balkenende daarover opmerkte in de begroting voor 2007 van zijn ministerie Algemene Zaken, leek veel op een verzuchting: „De verwachtingen over wat een minister-president vermag, stroken niet met diens feitelijke en formele positie.” Dat was voor hem nog geen reden ingrijpende wijzigingen voor te stellen. Al gauw komen dan kwesties als gekozen minister-president of formateur aan de horizon en die ziet de CDA’er Balkenende daar liever niet verschijnen. Toch is er veel voor te zeggen om toe te geven aan de feitelijke situatie dat de minister-president meer is dan primus inter pares. De premier wordt meer dan wie ook door de kiezer vereenzelvigd met het kabinet dat zijn naam draagt. In Europa is hij het gezicht van Nederland. Die erkenning verdient een fundamenteler debat en een wettelijke verankering die niet slechts kan bestaan uit een voorstel dat op een nacht in juli door de Tweede Kamer werd aanvaard.