Bij

Het is zomervakantie en Tobias en Henriette zijn een dag bij Rintje.

“Wat gaan we doen?” vraagt Henriette.

‘In de tuin spelen’, zegt Rintje. “We kunnen taartjes bakken in de zandbak!”

“Ja, we doen wie de hoogste zandtaart kan maken!’ zegt Tobias.

Henriette maakt de hoogste en de mooiste taart. Ze heeft er als versiering allemaal steentjes bovenop gelegd.

“Mogen we nu het gras maaien?” vraagt Rintje aan mama.

“Dat is zonde’, zegt Henriette, “dan maai je alle madeliefjes weg!”

“Eerst moeten alle planten water hebben,” zegt mama. “De tuin is veel te droog, omdat het al dagen niet heeft geregend.”

Rintje pakt de tuinslang en draait de kraan open. Tobias begint meteen naar de straal water te happen, zijn kaken klappen steeds op elkaar. “Water kan je niet pakken met je tanden!’ zegt Rintje.

“Kom eens kijken,’ zegt Henriette. “In deze bloem zit een bij!“

“Ik zie niks!’ zegt Tobias.

“Je moet veel dichterbij!’ zegt Henriette.

“AU!’ klinkt het opeens. “Ik ben in m’n neus gestoken!’ gilt Tobias.

Hij moet huilen en zijn neus wordt helemaal dik. Rintje haalt mama erbij en zij smeert een zalfje op de neus van Tobias. Voor de schrik krijgt hij een koekbotje.