Balkenende rotzooit met het staatsrecht

De premier ziet zijn nieuwe zeggenschap over het budget van de koningin te ruim.

Hij is slechts de eerste onder zijns gelijken, zeggen staatsrechtdeskundigen.

Minister-president Balkenende (CDA) geeft een te ruime uitleg aan zijn nieuwe bevoegdheid om de onkosten van het Koninklijk Huis in de hand te houden. Tot die conclusie komen staatsrechtsdeskundigen een week nadat een spoedwet, die de kosten van de monarchie transparant moet maken, de Tweede Kamer passeerde.

Tijdens het Kamerdebat vorige week dinsdag zei Balkenende dat hij als het om de kosten van het Koninklijk Huis gaat, boven zijn collega-ministers staat: volgens Balkenende heeft hij een ‘aanwijzingsbevoegdheid’. Dat is opmerkelijk omdat de minister-president volgens de Grondwet van 1983 alleen voorzitter van de ministerraad is, en niet beschikt over de bevoegdheid om macht uit te oefenen over de andere ministers.

Tijdens het debat vorige week registreerden de Kamerleden Spies (CDA) en Van Beek (VVD) wel dat met de wetswijziging de staatsrechtelijke positie van de minister-president verandert. Van Beek vroeg zelfs of er sprake is van een „staatsrechtelijk novum”. Ook wilde hij weten wie de baas is bij geschillen tussen ministers over de declaraties van de Koning. Daarop antwoordde Balkenende: „Dit betekent dat ik [...] ministers aanwijzingen kan geven.” Meer specifiek zei de premier tijdens het debat dat het betalen door de minister van Binnenlandse Zaken van een overschrijding van de onkostenvergoeding voor „personeel van de koningin” in de toekomst „verboden” is. Hij doelde daarbij op een recente overschrijding door de koningin van het budget voor personeelkosten met ruim zes ton.

In een reactie stelt emeritus hoogleraar staatsrecht Jan Vis, tevens oud-lid van de Raad van State, dat hier inderdaad sprake is van een „novum”. „De relatie tussen staatshoofd en minister-president wordt door deze wet opnieuw gedefinieerd en wel op het gevoelige terrein van de financiering van het Koninklijk Huis. Deze wet bepaalt dat de Koning onkosten kan declareren door tussenkomst van de minister-president. Die term ‘tussenkomst’ is juridisch niet helder en laat te veel ruimte voor interpretatie, zoals nu blijkt.” Vis bekritiseert de snelheid waarmee het financieel statuut van het Koninklijk Huis, dat sinds 1972 de financiële verhoudingen tussen de gekozen volksvertegenwoordiging en het erfelijk staatshoofd regelt, is gewijzigd. „In ruim een maand tijd! Er moest snel iets geregeld worden en nu is er niet of slordig nagedacht over verder strekkende gevolgen.”

Volgens de Nijmeegse hoogleraar staatsrecht Paul Bovend’Eert heeft Balkenende er „een rommeltje” van gemaakt. Volgens Bovend’Eert „draaft de minister-president door”. „De aanwijzingsbevoegdheid die Balkenende claimt te hebben, sluit niet aan op de wettekst. Als hij zo’n bevoegdheid wil, moet hij die in de wet zetten. Je kunt dit niet regelen door het mondeling aan de Kamer mee te delen. Balkenende noemde dat ‘levend staatsrecht’. Maar dat is het niet. Dit is gerotzooi.” De suggestie van Kamerlid Van Beek dat Balkenende zijn aanwijzingsbevoegdheid kan regelen in het Reglement van Orde van de ministerraad, verwerpt Bovend’Eert. „Daarmee zou dat reglement in strijd komen met de wet.”

PvdA-senator Peter Rehwinkel schreef een dissertatie over de positie van de minister-president. „Uit het stenogram van het debat krijg ik de indruk dat Balkenende niet zelf uit was op versterking van zijn positie. Hij lijkt te reageren op het dringend verzoek van Kamerleden om de regie in handen te nemen.”