Amerika kan provocaties Iran beter negeren

De VS en Israël moeten Iran niet aanvallen. Diplomatie is verstandiger, zeker nu Israël daarmee al resultaten boekt en de VS de troepen in Irak zullen reduceren, zegt Rami Khouri.

De presidentsverkiezingen in november kunnen een moment worden waarop de VS zich ernstig bezinnen op hun positie ten aanzien van vele kwesties in het Midden-Oosten, maar het is nog niet duidelijk welk beleid dan de overhand zal krijgen. Voor het zover is, zal de regering-Bush naar alle waarschijnlijkheid steeds meer onder druk komen te staan om de knoop door te hakken met betrekking tot de toenemende nucleaire capaciteiten van Iran, vooral op het gebied van uraniumverrijking.

Frappant aan het Amerikaanse buitenlandse beleid in het Midden-Oosten dezer dagen – vergeleken bij een jaar of twintig geleden – is de reusachtige schaal en complexiteit van de Amerikaanse betrokkenheid in heel de regio, een betrokkenheid die vrijwel exact wordt weerspiegeld in het Iraanse netwerk van militaire, ideologische en economische banden met vele partners alom in die regio.

Dat maakt het voor de Verenigde Staten of Israël een stuk lastiger om in de nabije toekomst een militaire aanval te doen op Irans nucleaire installaties. Toch kun je je maar moeilijk voorstellen dat tough guys als George W. Bush en Dick Cheney in januari rustig de kantoordeur achter zich dichttrekken en naar hun ranches afreizen, terwijl in Iran meer dan drieduizend in keten geschakelde centrifuges als razenden staan te draaien om het verrijkte uranium te produceren dat nodig is voor een nucleaire industrie – of die nu elektriciteit, bommen of iets anders van waarde produceert.

Twee factoren maken het Amerikaanse dilemma in Iran nog groter. Ten eerste zullen de VS in 2009 waarschijnlijk geleidelijk hun troepen gaan terugtrekken uit Irak, en ten tweede vinden de zes voornaamste diplomatieke besprekingen die nu in het Midden-Oosten gaande zijn – met in diverse combinaties, Libanon, Syrië, Hamas, Hezbollah, Egypte, Turkije, Qatar, Israël en Saoedi-Arabië – bijna allemaal plaats zonder dat Amerika er een belangrijke of rechtstreekse rol in speelt.

Dus wat zijn de VS nu, een opkomende of een ondergaande macht in het Midden-Oosten? Wat moet de regering-Bush in haar laatste half jaar doen met Iran? Ik heb de indruk dat er – nu Washington is vastgelopen in een ideologische patstelling met een aantal vijandig gezinde inheemse krachten onder aanvoering van Iran, Syrië, Hezbollah en Hamas – van de meeste elementaire doelstellingen in het Amerikaanse buitenlandse beleid in het Midden-Oosten weinig terechtkomt.

Zo’n politieke patstelling is geen nederlaag, maar een machtsevenwicht tussen twee partijen die bijna aan elkaar gewaagd zijn. Dat kan veranderen, en de grote vraag is of die verandering het resultaat zal zijn van militair optreden of van diplomatieke initiatieven.

Het tijdschrift The New Yorker meldt deze week dat de regering-Bush nog steeds, met instemming van vooraanstaande leden van het Congres, steun – ook financieel – verleent aan tegen het regime gerichte operaties in Iran. Tegelijkertijd is een Israëlische militaire oefening van vorige week in brede kring opgevat als een signaal dat Israël niet kan blijven toekijken terwijl Iran zijn nucleaire capaciteiten uitbouwt, zonder te proberen die installaties uit te schakelen.

De diplomatieke activiteiten die Israël op vier fronten ontplooit – met Syrië, Hezbollah, Hamas en het Palestijnse Nationale Gezag – kunnen, zo menen sommige analisten, een trucje zijn om de indruk te wekken dat de diplomatie triomfeert over de wapenen. Die sceptici verwachten binnenkort een aanval van Israël of de Verenigde Staten op Iran.

Ik houd dat voor onwaarschijnlijk, omdat Iran al gerealiseerd heeft waarnaar het zegt te streven: het beheerst de complete nucleaire cyclus, inclusief de verrijking van uranium. Aangezien dit het seizoen van de gissingen en voorspellingen over het Midden-Oosten is, en er over de plannen van de voornaamste betrokkenen weinig harde feiten of aannemelijke gegevens bekend zijn, verwacht ik dat de VS en Israël zich ten slotte zullen neerleggen bij de realiteit dat een militaire aanval, hoe vernietigend ook, Irans nucleaire mogelijkheden hooguit tijdelijk kan aantasten, want Iran heeft de technologische kennis immers al in huis, en daartegen kunnen bommen niets uitrichten.

Daar komt bij dat de destabiliserende gevolgen voor het Midden-Oosten, en voor de mondiale energie en economie, zo gigantisch zouden zijn dat je je zo’n scenario maar moeilijk kunt voorstellen. Het alternatief is: diplomatieke onderhandelingen die tegemoetkomen aan de legitieme en redelijke behoeften van de voornaamste partijen, namelijk Iran, de Verenigde Staten, Israël, Europa en de Arabische buurlanden. Iran zou zijn huidige nucleaire industrie verder kunnen ontwikkelen, maar onder strikte internationale inspecties en waarborgen in overeenstemming met bestaande verdragen en conventies die de ontwikkeling van kernwapens voorkomen.

Aan de politieke vijandschap tussen Iran, Israël en de VS kan iets worden gedaan, als de politici zich er maar serieus voor inzetten, te beginnen met onderhandelingen die leiden tot een oplossing van de Arabisch-Israëlische crisis. De uitgangspunten voor een Arabisch-Israëlische vredesregeling zijn er al. Israël en de Verenigde Staten moeten zich alleen serieuzer en billijker opstellen. Israël voert feitelijk al onderhandelingen met zijn drie grootste naburige vijanden: Syrië, Hezbollah en Hamas.

Als de Verenigde Staten of Israël nu Iran aanvallen zou dat een gigantische dwaasheid zijn, iets waartoe deze twee landen zich overigens telkens weer in staat hebben betoond. Maar op dit moment lijkt een rationale kosten-batenanalyse uit te vallen ten gunste van een diplomatieke oplossing.

Rami G. Khouri is als algemeen redacteur verbonden aan ‘The Daily Star’, en directeur van het Issam Fares Institute for Public Policy and International Affairs aan de Amerikaanse Universiteit van Beiroet, in Libanon

Copyright © 2008 R. G. Khouri