Achttien velletjes

Nicolien Mizee geeft een cursus verhalen schrijven aan de Volksuniversiteit. Ze laat zich inspireren door het schrijfwerk van haar leerlingen. Vandaag over een talentvol twijfelgeval.

Bij een vergadering van schrijvers stel ik me een rokerig laatste avondmaal voor: twaalf verlopen mannen lachen honend als ze met door nicotine verkleurde vingers door de verhalen van mijn leerlingen bladeren; ze stoten bierflessen van tafel die over de houten vloeren rollen tot ze tegen mijn stoelpoten tot stilstand komen. Dan kijken ze allemaal naar mij, de schrijvers.

En daar zit ik, sprakeloos.

„Een plezierige dag gewenst”, zegt de jongen van de fietsenstalling op het Centraal Station. Dat zegt hij altijd. „Het wordt geen plezierige dag”, zeg ik. „Ik geef les aan mensen die schrijver willen worden. En nu moet ik naar een vergadering waarin over hun lot wordt beslist.”

„Schrijven kun je niet leren”, zegt hij. „Is er van die school ook maar één bekende schrijver afgekomen?”

Ik noem mijn eigen naam. Daar heeft hij nog nooit van gehoord. „Lees je dan geen boeken”, vraag ik. Nee, daar heeft hij door zijn studie geen tijd voor. Wat studeert hij? Nederlands.

„Je zit voetbal te kijken”, zeg ik met een hoofdknik naar de televisie in zijn portiershokje. „Je moet lézen, man. En geen boeken van bekénde schrijvers, maar van góeie schrijvers.”

De Schrijversvergadering is al bezig als ik binnenkom. Ik ga stilletjes zitten naast een kalende man die direct opstaat en wegloopt. Onopvallend kijk ik naar mijn kleren. Is er soms iets in het ongerede geraakt? De kalende man komt terug met twee bekertjes heet water en vier theezakjes, die hij in een waaier voor me neerlegt.

„Welke schrijver ben jij?” fluister ik. Met een dunne vinger wijst hij naar zijn naam op de lijst. Een dichter.

Dan noemt de voorzitter de naam van Martha. Ik ga rechtop zitten. Nu gaat het gebeuren. Vijftien weken lang heb ik gevolgd hoe Martha schreef, schrapte, schaafde en herschreef tot dit over was: achttien velletjes. Het lijkt ineens zo weinig. Hoe kunnen anderen over Martha’s lot beslissen aan de hand van die achttien miezerige velletjes? Of zouden ze het juist veel beter kunnen dan ik?

Ik kan Martha’s verhaal dromen, ik kan de eerste bladzijde woordelijk opzeggen. Ik weet niet langs welke lat ik het zou moeten leggen: ik kan Martha’s verhaal alleen vergelijken met het verhaal dat het eerst was, met het verhaal dat zij had willen schrijven en het verhaal dat het mijns inziens had moeten worden – al heb ik dat laatste nooit hardop gezegd.

De man die de vergadering voorzit, geeft zijn mening. Ik luister met groeiende verbazing: het beeld dat uit zijn woorden oprijst, komt precies overeen met het mijne. Al Martha’s schroom, schaamte en scherpte worden in die achttien velletjes blijkbaar even zichtbaar als zat ze op dit eigenste moment naast ons.

Ook de man naast hem heeft Martha’s werk gelezen en wijst aan waar het wringt, waar het glijdt, waar het heengaat en waar het hapert.

„Het gaat de goede kant op”, besluit de voorzitter. „Maar ze kan het jaar beter nog een keertje overdoen.”

Ik knik beduusd. Ze hebben gelijk.

Maar hoe moet ik dat nou aan Martha vertellen?