Zonder subsidies heeft de Indonesiër het moeilijk

Door de dure olie stijgen alle prijzen in Indonesië. De subsidies die arme Indonesiërs krijgen, zijn een heikel punt. Inkrimpen is nodig om de begroting rond te krijgen, maar kost de regering populariteit.

Bapao-verkoper Widodo zag zijn vrouw en zoontje altijd vijf of zes keer per jaar. Nu wordt dat nog maar drie keer, vreest hij. Al ruim tien jaar woont Widodo (29) met andere verkopers van gestoomde broodjes bij zijn baas in Jakarta; zijn gezin woont in Sugihan, een plaats op Midden-Java. De busreis van 16 uur kostte tot twee maanden geleden 70.000 roepia, zegt hij, ongeveer 4,85 euro. Maar sinds de benzineprijs eind mei werd verhoogd, betaalt hij 130.000 voor een enkeltje.

Het is niet alleen transport dat duurder is geworden. De straatverkopers in de Jalan Benhil, waar Widodo met zijn karretje staat, hebben alle prijzen zien stijgen door de duurdere benzine. Een kip van gemiddelde grootte ging van 15.000 naar 17.000 roepia, zegt Fani, die met haar man een eettentje runt. Een kilo wortels werd 500 roepia duurder en kost nu 4.000. Zelf heeft ze haar prijzen ook maar 1.000 roepia omhoog gegooid. Een flinke portie bami met kip kost nu 7.000 roepia, bijna 50 cent.

Op 24 mei werd benzine in Indonesië in één klap bijna 30 procent duurder: een direct gevolg van de hoge olieprijs. Indonesiërs profiteerden altijd van de hoge brandstofsubsidies die de overheid – zoals in zoveel ontwikkelingslanden – verstrekt. Maar nu de olieprijs zo ver oploopt, worden die subsidies onbetaalbaar. Voor dit jaar denkt de Indonesische overheid 200.000 miljard roepia (13,9 miljard euro) aan energiesubsidies uit te geven, zo’n 20 procent van het overheidsbudget. En de olieprijs blijft maar stijgen. Dinsdag zei de minister van Financiën nog dat de Indonesische overheid volgend jaar misschien wel 300.000 miljard roepia kwijt zal zijn aan de energiesubsidies.

Vandaar dat de regering van president Yudhoyono besloot de subsidies te beperken en de Indonesiërs een groter deel van hun benzine zelf te laten betalen. „Economisch gezien is dit een goede stap, het is niet rationeel om de subsidies zo hoog te houden”, zegt politiek analist Arbi Sanit. „Maar zonder subsidies hebben de mensen het wel erg moeilijk. Want ook de prijzen van andere goederen stijgen, met name die van voedsel.” Daardoor is de situatie nu zelfs nijpender dan in 2005, toen de benzineprijzen met 120 procent werden verhoogd, zegt hij.

Voor bapaoverkoper Widodo betekenen de hogere prijzen dat hij minder geld naar zijn gezin kan sturen. Hij verkoopt een stuk minder broodjes dan twee maanden geleden. Eerst hield hij per maand zo’n 500.000 roepia (35 euro) over om naar zijn vrouw te sturen, nu 300.000 tot 400.000. Zijn vrouw klaagt dat ze meer geld nodig heeft voor alle bruiloften en andere feesten waarbij ze geld moet geven. Hijzelf maakt zich zorgen over het schoolgeld van zijn zesjarige zoontje dat in september naar de lagere school gaat. „Als het niet lukt om genoeg geld te verdienen, moet ik het maar van iemand lenen.”

De hoge olieprijs bezorgt ook andere leiders in ontwikkelingslanden hetzelfde dilemma. Ze moeten óf hun burgers op stang jagen met een hogere benzineprijs, óf steeds meer geld aan subsidies uitdelen – wat hun begrotingen in gevaar brengt. Ook in Sri Lanka, India, Taiwan en Haïti werden de brandstofprijzen de laatste maanden verhoogd. In Maleisië, waar brandstofsubsidies bijna eenderde van de begroting dreigden uit te maken, werd benzine vorige maand ruim 40 procent duurder.

Met als gevolg protesterende burgers. Zondag gingen 5.000 Maleisiërs de straat op voor een demonstratie, mede geleid door oppositieleider Anwar Ibrahim. In Indonesië protesteerden studenten al twee keer tegen de verlaagde subsidies, twee weken geleden vlogen daarbij enkele auto’s in Jakarta in brand en kwam het verkeer in de stad tot stilstand. Premier Abdullah Badawi van Maleisië waarschuwde dinsdag op een top van ontwikkelingslanden dat de hoge prijzen voor voedsel en benzine voor maatschappelijke onrust zouden blijven zorgen.

Zeker voor president Yudhoyono van Indonesië zijn de prijzen een probleem; hij hoopt volgend jaar te worden herkozen. „Benzineprijzen zijn altijd een strategisch thema”, zegt analist Sanit. In 1998 waren benzineprijzen de aanleiding voor de protesten die het einde betekenden van het regime van autoritair leider Soeharto. Sanit: „De regering heeft een budget van ruim 80 miljard dollar, maar 70 procent daarvan gaat naar de overheid zelf en wordt gespendeerd aan salarissen voor ambtenaren. De mensen willen dat de lasten gelijk worden gedeeld door de overheid en de burgers. Maar nu zijn de lasten voor de burgers erg hoog, terwijl de ambtenaren gewoon betaald krijgen.”

Om de schade te beperken heeft Yudhoyono toegezegd 13.300 miljard roepia aan contant geld uit te keren aan 19 miljoen arme families: gezinnen krijgen 100.000 roepia per maand. Maar voor zijn populariteit lijkt het niet genoeg. In een peiling van het bureau Indo Barometer tien dagen na de prijsverhoging werd hij ingehaald door oud-president Megawati, zijn belangrijkste rivaal voor het presidentschap. Sanit: „Als de olieprijzen zo hoog blijven, zal het moeilijk worden voor Yudhoyono om te worden herkozen.”