Vroeger hadden we bingo, nu een geherstructureerde wijk

Oude woningen vervangen door nieuwe, inclusief nieuwe bewoners, klinkt goed.

Twee nieuwe studies wijzen op onverwachte, averechtse effecten.

„Van de overheid zou je bijna elke dag bij elkaar op de koffie moeten zitten”, zegt een inwoner van de Rotterdamse wijk Pendrecht. „Maar dat doen ze zelf ook niet hoor! Weet je, als je als een bijzondere aandachtswijk aangemerkt wordt, moet je allerlei dingen doen die eigenlijk onnatuurlijk zijn.”

Hij kan het weten. In zijn vlak na de oorlog gebouwde wijk zijn de huizen te klein, de bouw is monotoon. Bewoners klagen over herrie, zwerfvuil en criminaliteit. Om het tij te keren gaan er portiekflats tegen de grond en komen er nu behalve huurhuizen ook koopwoningen.

Slopen en nieuw bouwen is al jaren de manier waarop de overheid probeert de sociale samenhang in achterstandswijken te versterken. In de veertig Vogelaarwijken, waarvan Pendrecht er één is, worden de komende vijf jaar 25.000 woningen gesloopt. Daar komen 30.000 nieuwe voor in de plaats: 13.600 huurwoningen en 16.400 koopwoningen.

Nieuwe (koop)huizen moeten meer vermogende bewoners aantrekken en wellicht – dat staat in nota’s niet expliciet vermeld – het aandeel allochtonen verkleinen. De wijk krijgt een diverser samengestelde bevolking. Maar is dat echt goed voor de sociale samenhang? Krijgen wijkbewoners meer en beter contact met elkaar, voelen ze zich beter thuis in de wijk?

Vier onderzoekers van de Universiteit Utrecht onderzochten dit in zes naoorlogse wijken waar al veel gesloopt, gerenoveerd en nieuw gebouwd is. Ze kozen die wijken voordat Vogelaar minister werd; vier ervan kwamen later óók op haar lijst: Pendrecht, Kruiskamp (Amersfoort), Bouwlust (Den Haag) en Malburgen (Arnhem). De andere twee wijken zijn Heuvel (Breda) en Holtenbroek (Zwolle).

Een belangrijke conclusie: politici zien een andere werkelijkheid dan bewoners. De meeste beleidsmakers in de onderzochte wijken geloven dat het helpt om nieuwe huizen te bouwen. Ze denken dat de komst van nieuwe bewoners goed is voor de sociale contacten. Bewoners kijken daar anders tegenaan. Die zeggen bijvoorbeeld dat de overheid niet kan bepalen hoe mensen met elkaar omgaan.

„Nieuwbouw is nergens een echt succesverhaal”, zegt sociaal geograaf Gideon Bolt, één van de onderzoekers. Slechts 13 procent van de bewoners in de zes wijken vindt dat de manier waarop bewoners met elkaar omgaan de afgelopen jaren is verbeterd. In Pendrecht en het Haagse Bouwlust, de twee grootste wijken uit het onderzoek, vindt dertig procent dat dit juist áchteruit is gegaan.

Niet dat de bewoners onwelwillend zijn. Tweede conclusie: de helft van de bewoners in de zes wijken juicht het toe dat door de sloop en nieuwbouw nieuwe mensen in hun wijk zijn komen wonen. Tegelijk zegt 34 procent dat de bevolkingssamenstelling de afgelopen jaren is verslechterd. In het Rotterdamse Pendrecht zegt meer dan de helft dat.

„In Pendrecht is heel veel gesloopt, maar er zijn tegelijk veel Antillianen bijgekomen die weg moesten uit een andere wijk”, zegt onderzoeker Erik van Bergeijk. Het percentage allochtonen in Pendrecht steeg sinds 2000 van 47 naar 62. „Dan kun je nog zoveel bouwen, in de perceptie gaat de wijk er niet op vooruit.”

En hoe zit het dan met de hoogopgeleide nieuwbouwkopers? Helaas, die betekenen in sociaal opzicht weinig voor een achterstandswijk. Ze hebben hun contacten grotendeels buiten die wijk. Een corporatiemedewerker uit Pendrecht merkt op dat ze vooral afkomen op de lage huizenprijs, en weinig animo tonen voor buurtactiviteiten.

En dan is er nog iets: door het beleid van sloop en nieuwbouw verlaat een aantal mensen de wijk, meestal de bewoners van de sloopwoningen, blijkt uit een ander onderzoek van dezelfde Utrechtse faculteit. Zij komen vaak terecht in andere arme, zwarte wijken in dezelfde stad en keren lang niet altijd terug naar hun oude wijk. Daardoor ontstaan in die andere wijken nieuwe concentraties laagopgeleiden en huishoudens met lage inkomens.

Dus de problemen verplaatsen zich. Sloop en nieuwbouw voorkomen niet dat wijken afglijden. Sterker, het opknappen van de Vogelaarwijken kan níeuwe probleemwijken creëren.

Hoe moet het dan wel? Om de sociale samenhang te versterken, zou je een wijk juist mínder divers moeten maken, zeggen de onderzoekers. Het is al lang bekend dat mensen die zelf kunnen kiezen, naast soortgenoten gaan wonen. De meeste mensen willen buren die op hen lijken.

Niet dat de onderzoekers enclaves willen maken. Maar, vinden ze, in dit land heerst wel heel sterk het idee dat dit slecht is. „Iemand uit China vindt dat vreemd”, zegt hoogleraar stadsgeografie Ronald van Kempen. „In Azië is het één en al enclave.” „Het is een soort schrikbeeld”, zegt Erik van Bergeijk. „Alsof je per definitie een getto of een gated community krijgt.”

Neem de Arnhemse volkswijk Malburgen. Daar troffen bewoners elkaar vanouds in het buurthuis, bij de postduivenclub en bij de bingo, vertelt de wijkagent. De nieuwbouwbewoners doen daar niet aan mee. Door hun komst voelen de oude bewoners zich minder thuis in de wijk, sommigen overwegen zelfs te verhuizen. Het gevaar bestaat, stellen de onderzoekers, „dat in de geherstructureerde wijk niemand zich meer thuis voelt”.

Om dat te voorkomen, zegt Erik van Bergeijk, moet je vooral dingen doen die het leven voor de bewoners beter maken. „Actief beleid op afval en andere dingen waar mensen zich aan storen, goede voorzieningen, winkels, een goede school. Dat moet allemaal niet slechter zijn dan in andere wijken”.

Het duidelijkst bleek dat in het Zwolse Holtenbroek, waar in het hart van de wijk een nieuw winkelcentrum is gebouwd. De bewoners zijn hier op veel punten het meest tevreden van alle zes wijken. Hoewel ook hier het percentage allochtonen wat steeg (van 30 naar 32), noemen veel mensen de bevolkingssamenstelling verbeterd en de wijk gezelliger geworden.