Subtiel opscheppen

Jacques Chapel (legendarisch Tourcommentator) is dood, toevallig vlak voordat de Tour begon. Daarom werd er herdacht en Radio 1 deed dat met zijn vroegere chef. Opvallend genoeg kwamen er vooral verhalen over ruzies en dronkenschap; weinig hartverwarmends. Aan het eind van de terugblik stond de chef erop zijn mooiste Tour-anekdote te vertellen. Zou Jacques dan toch nog waardig geëerd worden? Volgde een verhaal waarin Jacques Chapel geen rol speelde, maar waaraan wel een soort punchline zat. De chef vertelde die zo: ‘En toen zei iemand, ik geloof dat ik dat was: „Nee meneer, wij zijn de Wegenwacht!”’

Dit is een zuiver voorbeeld van ‘subtiel opscheppen’. Natuurlijk wist de chef zéker dat hij het was die de grap had gemaakt. Maar hij vindt het gênant om dat direct te zeggen

(„Ik heb een keer een heel goede grap gemaakt, zal ik hem vertellen?”). Daarom verpakt hij hem in gespeelde onzekerheid: „Ik geloof dat ik dat was”.

Subtiel opscheppen kent vele uitingsvormen. „Ik was gewoon de eerste die zoiets deed, dus er was ook weinig concurrentie”, hoor je wel eens. Zogenaamd lijkt dit bescheiden (‘er was weinig concurrentie’), maar wat vooral blijft hangen is dat hier een pionier aan het woord is.

Ook Mart Smeets deed afgelopen maandag aan subtiel opscheppen. Hij zei: „Ik wist destijds nog niets van de Tour, ik weet er nog steeds niets van!” Kom kom, Mart, we weten allemaal dat je er heel veel van af weet. Mindere goden zouden nooit, zonder gevaar voor eigen reputatie, kunnen beweren dat ze niets weten.

In sportevenementen zoals de Tour weet iedereen duidelijk wie het beste is: degene die het eerste over de streep heen fietst (doping daargelaten). In de rest van het leven moeten we soms zelf even aangeven hoe goed we zijn.

Paulien Cornelisse

Paulien Cornelisse behandelt elke week een actueel en opmerkelijk taalfenomeen.