‘Hoeveel zandkorrels zijn er op de wereld?’

Bij het hippe restaurant, met kroonluchters gemaakt van dingen die op het strand aangespoeld waren, zaten twee gezinnen samen te brunchen.

De vader van het ene gezin stond bij het buffet een kom bosbessenyoghurt voor zichzelf op te scheppen, toen zijn dochtertje bij hem kwam staan. ‘Waar is de wc?’, vroeg ze aan hem. ‘Weet ik niet’, zei de vader. Hij keek niet naar zijn kind. Zij bleef nog even staan, en besloot toen op zoek te gaan naar een persoon die wel antwoord wilde geven op dit soort wezenlijke kwesties. Het werd de serveerster. Wat ik zelfredzaam vond, voor een kind van ongeveer vijf.

Misschien was ik niet in een al te best humeur die dag, maar ik probeerde vervolgens minutenlang de vader dood te maken door middel van mijn blikken. Dat je een kind hebt, en af en toe moe wordt van de vragen van dat kind, dat begrijp ik. Mijn broer stelde vroeger de hele dag vragen, allemaal van het genre ‘Hoeveel zandkorrels zijn er op de wereld?’ En mijn vader had op al die vragen hetzelfde antwoord. ‘Pirelli.’ Pirelli betekende zoveel als: ‘Ik weet niet hoeveel zandkorrels er op de wereld zijn en ik word krankzinnig van je gevraag’.

Pirelli mag, vind ik. (Echt, mijn broer stelde heel veel vragen; later ging hij gewoon de encyclopedie van A tot Z lezen.) Maar ‘Weet ik niet’ zeggen als je dochter in een enorm restaurant vraagt waar de wc is – wat ben je dan voor vader? Wat ben je dan voor mensch?

Na de dodelijke blikken, die niet werkten, observeerde ik de twee vaders langdurig. Hun vrouwen en kinderen hadden de tafel verlaten; waarschijnlijk wilden de kinderen in de tuin bij het restaurant spelen, en dat moesten de vrouwen natuurlijk begeleiden.

De vaders droegen allebei een T-shirt met iets als ‘Bob’s Motorcycles’ erop, en spijkerbroeken met opgerolde pijpen. En sikjes. Tussen de achtergebleven rommel van hun vrouwen en kinderen – kleurplaten, half opgegeten eieren en handtassen – probeerden ze een intelligent gesprek te voeren. Ze praatten waarschijnlijk over hun freelance praktijken als grafische vormgevers, want dat soort types leken het me. Even kwam de vrouw van de een terug bij de tafel, maar die werd volstrekt genegeerd.

Het brunchbuffet ging sluiten, en ze moesten afrekenen. Allebei de mannen liepen naar buiten met de handtasjes van hun vrouw aan hun schouder. Een goede straf.

Aaf Brandt Corstius