Afghanen in Herat vrezen voor de Talibaan

Onder leiding van de daadkrachtige maar conservatieve krijgsheer Ismail Khan bloeide de Afghaanse stad Herat op. Nu hij in Kabul zit, keren de Talibaan weer terug.

Wim Brummelman

Fardin (18 jaar) wil graag een baan. „Kunt u mij helpen?”, vraagt hij. „Ik spreek Engels.” De volgende dag scheurt hij een blaadje uit zijn schoolschrift, waarop hij een artikel over de economie van Afghanistan heeft geschreven. „De grootste problemen van Afghanistan zijn de niet aanwezigheid van banen en armoede in deze maatschappij”, luidt de vierde zin.

Fardin woont in Herat, in het westen van Afghanistan. Herat, rustiger en groener dan Kabul, geldt van oudsher als de culturele hoofdstad van Afghanistan. Maar Herat is ook behoudender dan Kabul. Je ziet er naar verhouding veel meer vrouwen in burqa over straat gaan.

Dat is, zeggen inwoners, een erfenis van krijgsheer Ismail Khan. Die verwierf door zijn dappere optreden tegen de Russische bezetters de ‘Leeuw van Herat’ als bijnaam. Ismail Khan is een strenggelovig man. Na de val van de Talibaan werd hij opnieuw gouverneur van Herat. Hij drukte zijn fundamentalistische stempel op het openbare leven. Maar hij zorgde ook voor wederopbouw en economische opleving.

Bijna vier jaar geleden haalde de Afghaanse president Karzai de ‘Leeuw van Herat’ naar Kabul. Hij benoemde hem, op veilige afstand van zijn machtsbasis, tot minister van Energie en Water. Toeval of niet, sindsdien gaat het Herat niet meer zo voor de wind, klagen sommige inwoners. Er wordt niet meer zoveel gebouwd en het is er een stuk onveiliger geworden. Regelmatig verschijnen berichten in de krant over ontvoeringen van ondernemers.

Kleermaker Bashir Faqir Yar (31) zegt dat de mensen niet meer zo veel geld kunnen uitgeven aan mooie kleding. Maar volgens hem heeft dat niet zoveel te maken met het vertrek van Ismail Khan. „Eigenlijk verkeert heel Afghanistan in dezelfde situatie: er is geen geld en er zijn geen banen”, zegt hij. „De gewone man gaat steeds verder achteruit. Alleen de rijke zakenmensen worden steeds rijker.”

De leerlingen van onderwijzer Rahma Akrami (30) zitten in een vierkant op het plein voor de meer dan acht eeuwen oude, prachtig betegelde Vrijdag Moskee. Dat is hun klaslokaal, onder de beschutting van het bladerdek van een boom. „Een echt klaslokaal hebben we niet”, legt hij uit. En er zijn ook onvoldoende boeken. „De kinderen moeten de teksten van elkaar overschrijven. En ik denk niet dat het gauw beter wordt.”

Akrami, getrouwd, twee kinderen, staat al acht jaar voor zijn klas in de buitenlucht. Elke ochtend, van acht uur tot twaalf uur. Hij heeft ontzettend veel plezier in lesgeven, het is dankbaar werk, zegt hij. Ook al verdient hij maar drieduizend afghani in de maand, ongeveer veertig euro. Dat is niet genoeg om zijn gezin te onderhouden, zegt hij. Daarom is hij ’s middags ook kleermaker in een naaiatelier.

Ook Barkatullah-e-Mohammadi, een 35-jarige arts in het grote ziekenhuis van Herat, verdient rond de drieduizend afghani per maand. Om dat salaris een beetje op te krikken, behandelt hij ’s middags na vijf uur patiënten in een kleine particuliere praktijk, vlak bij zijn huis. Al zijn collega’s werken zo, zegt hij.

Gezondheidszorg is gratis in Afghanistan. „Beter zou het zijn als de patiënten die wel een klein beetje kunnen betalen, zouden bijdragen. Dan zouden we betere zorg kunnen bieden”, zegt Mohammadi. „Het overheidsbudget is nu ontoereikend. We kunnen nauwelijks benzine betalen voor onze auto. Er is onvoldoende apparatuur in het ziekenhuis en we hebben een tekort aan geneesmiddelen. Soms moeten we een CT-scan doen, maar die mogelijkheid hebben we niet in Herat.”

Onder een bank in de donkere gang van het ziekenhuis ligt een vrouw in een blauwe boerka op de grond. Haar begeleider houdt een infuus omhoog. „Armoede is een groot probleem”, zegt Mohammadi. „De mensen hebben stress.”

Hij en zijn collega’s worden de laatste tijd met nog meer problemen geconfronteerd. Enige tijd terug werden twee artsen overvallen en beroofd. Een derde arts werd ontvoerd bij een buitenkliniek in de buurt van het vliegveld en pas vrijgelaten na het betalen van losgeld. Afgelopen maart ging het medisch personeel van het grote ziekenhuis in Herat in staking om te protesteren tegen de ontvoering van de zoon van een arts. „We weten niet wie er achter zitten”, zegt Mohammadi.

Obaid Seddiqui (42) werkte vroeger voor Children for Life. Sinds enkele jaren is hij aannemer en wegenbouwer. Zes jaar geleden was hij een van de vertegenwoordigers uit Herat op de loya jirga, de grote vergadering van stamleiders die Karzai voor de eerste keer tot president benoemde. „Dat was een mooie ervaring”, zegt hij. Maar inmiddels is ook hij gedesillusioneerd geraakt. „We hadden gehoopt dat het steeds beter zou gaan. Maar ik ben teleurgesteld. Iedereen is teleurgesteld”, zegt hij. „Eerder kon ik zonder problemen naar alle dorpen hier in de provincie reizen. Nu kan dat niet meer zomaar. Er vinden veel ontvoeringen plaats, mensen zijn bang geworden om te praten.”

Seddiqui vermoedt dat criminele elementen achter de ontvoeringen zitten. Veel bedrijven in Herat en omgeving hebben hun deuren al gesloten. Maar ook de opkomst van de Talibaan vanuit het zuiden, baart hem zorgen. De mensen in Herat willen niet meer vechten, maar werkloosheid en armoede drijft jongeren in handen van de opstandelingen, zegt hij. „Wij denken dat het steeds verder berg afwaarts gaat.”

Overheidsambtenaar Shah Mohammad Moheq is daar ook bang voor. „Als het economisch slecht blijft gaan, moet je meer onrust verwachten”, voorspelt hij. „Dit wordt een gevaarlijk jaar voor Herat. Door de droogte en door de hoge voedselprijzen. Veel mensen zullen niet aan genoeg eten kunnen komen.”

Een collega knikt instemmend. ,,De Talibaan zullen aan kracht winnen”, zegt hij. Dan, met scherpe stem: „Jullie in het buitenland moeten sterk blijven staan in de strijd tegen terrorisme. Jullie moeten ons blijven helpen en de Talibaan en Al-Qaeda verslaan. Wij weten als geen ander hoeveel ellende zij zullen brengen als ze hier weer de lakens uitdelen.”