We houden van de Belgen

De Nederlanders keken lang neer op hun zuiderburen.

Maar België is nu een land geworden om jaloers op te worden, constateert Maarten Huygen.

Toen ik in Maastricht vlak aan de Belgische grens opgroeide, keek ik als onvervalst chauvinist neer op zo’n ordinair wit nummerbord met rode letters. Ik beschouwde België als een armoedig land, lelijke vlag ook. Automobilisten hoefden daar nog geen rijexamen te doen en zwabberden vaak in een sukkelgangetje over de weg. Behalve dan de Belgische buikschuifbrommers, want die reden 120, als er geen gat in de weg zat en dat was weer in Nederland.

Als de Belgen niet in gedeukte kavaljes reden, hadden ze een voorliefde voor Amerikaanse sleeën die in Nederland als smakeloos en protserig werden beschouwd. Op de Belgische nationale feestdagen stond Maastricht er vol mee. Logisch dat ze hier kwamen, want het was daar primitief. Stroomvoorziening en telefoon via palen, padam-padam-macadamwegen. Ze lieten gebouwen instorten in plaats van ze te restaureren. Mijn verachting voor België werd algemeen gedeeld, ook door Limburgers. Als je onderaan hangt, moet je ergens anders op kunnen neerkijken. Belgen waren nog erger dan Hollanders. Zelfs het Belgische carnaval was minder.

Dat is veranderd. De bumperklevers in Maastricht zijn nu ongeduldige Belgen die aan het vlotte hedendaagse Belgische tempo gewend zijn en zich ergeren aan het normvaste en veilige Nederlandse verkeer. Daar zijn de wegen talrijker, gladder en sneller dan hier. Overal lopen autobanen. België wordt langzaam opgedeeld en Nederlanders krijgen dat slechts langzaam in de gaten, spreken soms tegen de verkeerde persoon Frans of Engels. Wallonië is verder vervallen maar Vlaanderen is rijker geworden dan Nederland. Dankzij dynamische kleine ondernemers. Daar wordt nu tegen opgekeken. De historische binnensteden zijn nog mooier opgedirkt dan de Nederlandse. Daar koop je geen oliebollen maar bonbons.

Tegelijkertijd hebben Nederlanders heimwee gekregen naar de weldaden van het goede burgerlijke bestaan dat ze in de jaren zestig en zeventig zo snel en volgzaam overboord hebben gegooid. Vlamingen hebben daar juist aan vastgehouden. Met een geschiedenis van vreemde overheersing zijn Belgen individualistisch en wantrouwig tegenover autoriteiten.

Om te generaliseren: Nederlanders doen altijd en overal hun mond open om hun mening te zeggen, zijn modebewust, gaan het huis uit en doen dan groepsgewijs aan non-conformisme. Ze doen alles wat nieuw en uitdagend is, dansen samen de polonaise, doen de wave in het stadion. De overheid, die meer vertrouwen geniet dan in België, danst vrolijk voorlichtend mee. Wie niet meedoet, is saai, en nog erger, niet meer van deze tijd. Vlamingen trekken zich liever terug op hun erf en zijn daar niet fier op, want al te ostentatief gedrag trekt maar de aandacht van mensen die kwaad willen. De rolluiken gaan dicht.

De Belgische samenleving laat de vruchten zien van dit conservatisme. De burgerlijke waarden floreren. Mensen zijn hoffelijk, verheffen zelden hun stem. Ze wonen daar liefst op zichzelf en ze rijden graag auto. Een groot zelf ontworpen huis met garage is daar nog betaalbaar. Natuurmonumenten heeft daar nog niet zo actief terreinen ingekocht. Ruimtelijke ordening is streng zodat de grond wordt opgedeeld tussen huiseigenaren.

En bij die goede burgerlijke huizen horen goede, rijke, burgerlijke keukens. Aan de maaltijd leer je elkaar kennen. Ze eten de hele voorraad mosselen en oesters uit Zeeland op. Hesp, Chateaubriand, frietjes in ossewit gebakken, noem maar op. Geen plezierbedervende waarschuwingen voor de cholesterolspiegel. Belgen leven gemiddeld ook iets korter dan Nederlanders maar daar krijgen ze ook wat voor terug.

En als Belgen ziek zijn, krijgen ze ook echt service van de medici. Er zijn er meer van, want er is geen toelatingsstop op de universiteit. Dus zijn er ook geen wachtlijsten voor patiënten. Die worden meteen geholpen. Geen maandenlange procedure met telkens nieuwe afspraken met telkens andere deeltijddokters achter volle wachtkamers. Belgische dokters willen ook werken op tijden dat het de patiënt uitkomt, ’s avonds dus. De patiënt moet dan wel contant betalen en eventueel pas later declareren. Er is geen vernieuwing die aan deze dienstbaarheid een einde heeft gemaakt.

Ook het Vlaamse onderwijs heeft in Nederlandse ogen stilgestaan. Het gevolg is dat Vlamingen altijd de spellingswedstrijden winnen. Op veel scholen moeten de kinderen zich nog in rijen opstellen, alvorens het gebouw in te gaan. Die gedisciplineerde rust is prettig voor jongetjes die niet kunnen stilzitten. Er is daar ook meer belangstelling voor de vakken die discipline vereisen, zoals wiskunde of andere exacte vakken.

Kortom: België is de bontjas van oma die weer hip is geworden en zijn tijd zelfs ver vooruit is. Nederlanders die moe zijn van vernieuwing krijgen waardering voor de burgerlijke deugden die bij de zuiderburen in ere zijn gehouden. Er is nog ruimte. De generatie die tussen coffeeshops opgroeide, proeft nu van de Belgische lambiek (eindelijk geen Heineken) en geniet van paling in het groen of waterzooi. Ze schreeuwen harder dan Belgen, dromen van een luilekkerland zonder nieuwe verboden of milieutaksen en vergeten dat ook de Vlaamse overheid peinst op rekeningrijden. Maar geen Balkenende, eindelijk. In Vlaanderen willen ze wonen. Maar na het weekeinde keren ze wel in file terug naar hun botte vinexlandje. Wie zich echt in Vlaanderen vestigt, vindt dat soms een tikje eenzaam en deprimerend. Daar zijn Vlamingen meer aan gewend.

Maarten Huygen is redacteur van NRC en is geboren aan de Belgische grens.

Emigreren? Kijk voor argumenten op: belgendoenhetbeter.nl