Vast in Utrechtse cel na martelen in Afghanistan

Twee asielzoekers uit Afghanistan, beschuldigd van martelen, zitten terecht voor lange tijd in de cel, zo oordeelde de Hoge Raad gisteren. Een moderne vorm van oorlogsstrafrecht.

De veroordelingen van Hesamuddin H. en Habibullah J. tot lange celstraffen zijn onherroepelijk. Gisteren oordeelde de Hoge Raad dat beiden, gevluchte officieren uit het Afghaanse leger, door het hof in Den Haag terecht zijn veroordeeld wegens martelpraktijken in Kabul. De één zit al een poosje vast in Alphen aan den Rijn en de ander in Utrecht.

Habibullah was hoofd van de afdeling ‘verhoor’ van de militaire inlichtingendienst. Hesamuddin was directeur en plaatsvervangend minister van de staatsveiligheidsdienst. In Nederland waren ze bijna vijftien jaar lang onzichtbare asielzoekers. Hun kon geen vergunning verleend worden, omdat de IND vermoedde dat er aan deze ex-militairen uit Kabul een luchtje zat. Maar uitgezet worden konden ze ook niet, omdat ze in Afghanistan levensgevaar liepen. Nederland zou een zware volkenrechtelijke fout begaan als ze zouden worden uitgezet. Sindsdien behoren ze tot de groep niet-uitzetbare verdachten van internationale misdrijven die in Nederland schuilen. Hun aantal wordt door de IND geschat op 500 tot 1.000.

Hesamuddin H. woonde met zijn gezin in Boskoop. Hij „zeemde de ramen en hielp zijn dochters”, schreef het dagblad Rijn en Gouwe, de krant die het gezin bezorgde. De buurt vond z’n arrestatie zielig. Habibullah woonde in Benschop. Ze waren herkend op straat door andere Afghaanse asielzoekers – hun slachtoffers. En die deden aangifte. Media-aandacht en politieke opschudding deden de rest. Hoe kan een land dat in Den Haag het Internationale Strafhof en een speciaal Tribunaal voor Joegoslavië huisvest tegelijk de aanwezigheid van allerlei beulen, vermomd als asielzoekers, gedogen? En dus moest het Openbaar Ministerie aan het werk.

Het Afghaanse duo werd in 2004 gearresteerd. Dat is uitzonderlijk, want 82 procent van de verdachte dossiers die de IND naar justitie stuurt, wordt noodgedwongen terzijde gelegd, blijkt uit een onderzoek van het Verwey-Jonker instituut uit 2005. Geen getuigen, niet meer uit te zoeken, juridisch zwak, zaak verjaard.

Bij Hesamuddin en Habibullah lag het anders. Dit waren topmensen, die zeer zichtbaar waren geweest. Met het arrest van de Hoge Raad van gisteren is een procesgang van vier jaar voor deze mannen nu definitief gesloten. De één moet twaalf jaar zitten. De ander negen. Ze zijn over de zestig. Het tweetal heeft in Afghanistan politieke tegenstanders met elektriciteit laten folteren, ze hebben vingers afgeknipt, teennagels uitgetrokken, mensen buiten in een vat koud water gezet, hen mishandeld door te stompen, te slaan en handen tussen deuren te knellen.

Het Openbaar Ministerie vervolgt nu nog twee verdachten van oorlogsmisdrijven. Eén is een Rwandees die in september moet voorkomen wegens het medeplegen van genocide. De zaak tegen de Filippijnse communistenleider José Maria Sison loopt sinds 2007. Hij wordt ervan verdacht vanuit Nederland opdracht te hebben gegeven tot twee moorden in de Filippijnen. Het landelijke parket in Rotterdam zegt verder nog een aantal zaken voor te bereiden. Maar veel zijn het er niet. Minder dan tien, schat de woordvoerder.

Feitelijk wordt hier het moderne oorlogsstrafrecht zichtbaar: een Nederlandse rechter die straf oplegt aan buitenlanders die in hun eigen land regels overtreden tegen landgenoten; de Nederlandse politie en justitie die in verre landen onderzoek doen, getuigen interviewen en bewijsmateriaal verzamelen. Als rechtsgrond daarvoor diende in het geval van de Afghaanse militairen het principe van ‘universele rechtsmacht’. Dat wordt alleen in uitzonderlijke situaties aangenomen, omdat het een inbreuk op de nationale soevereiniteit is. Vlak na de Tweede Wereldoorlog dreunden de gruwelen van het conflict nog zo hard na dat dergelijke juridische ‘invasies’ toch mogelijk werden gemaakt. Het vierde Rode Kruisverdrag van 1949 biedt burgers bescherming tegen oorlog en burgeroorlog. En de Wet oorlogsstrafrecht van 1952 geeft de Nederlandse rechter de bevoegdheid tot berechting van zulke misdrijven, „waar ter wereld en door wie ook gepleegd”. In de zaak tegen de Afghanen bevestigde de Hoge Raad deze bevoegdheid van de Nederlandse rechter.