Tegen de blik van de ander ben ik weerloos

Elke woensdag op deze pagina een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: de gevolgen van onze vrijheid van denken.

Het was maar een kort berichtje dat vorige week over mijn scherm flitste, maar het heeft mij dagenlang niet losgelaten. In het Noord-Franse Rouen zijn twee mannen tot vier en vijf jaar celstraf veroordeeld omdat zij op internet gewelddadige seksfantasieën hadden uitgewisseld. Ze bedachten hoe ze een willekeurig Belgisch meisje zouden ontvoeren om haar te martelen en te verkrachten. De plek was al ingericht, de videocamera geïnstalleerd.

Dat zijn hoge straffen voor wat volgens de twee nooit meer dan fantasie zou zijn geweest. Geloofde de rechter dat niet? Het ANP-berichtje geeft geen uitsluitsel en in de kranten heb ik er niets over gehoord. Diezelfde dag werd gijzelaar Ingrid Betancourt na zes jaar uit handen van de FARC bevrijd en aan zulk wereldnieuws vallen provinciale faits divers genadeloos ten offer.

Toch bieden die vaak een onthutsend doorzicht op de menselijke natuur. Natuurlijk weten we al lang dat sommigen genoegen beleven aan de meest gruwelijke fantasieën en ook onze eigen begeerten zijn niet altijd smetteloos. En toch is het steeds weer schokkend wanneer dat aan het licht komt. Daar is zelfs het extreme sadisme van dit Franse tweetal, voor wie Belgische meisjes na Dutroux en Fourniret kennelijk als vogelvrij gelden, niet voor nodig.

Het is een interessante juridische vraag of iemand vanwege zijn fantasieën wel veroordeeld mag worden. Die Gedanken sind frei – weet iedereen, hoe cynisch die woorden soms ook zijn aangewend: ‘gedachten zijn vrij, maar dan ook die alleen...’ Als reactie dáárop geldt het inmiddels als een volkswijsheid dat zelfs aan de uiting daarvan geen restricties mogen worden opgelegd. En wee degene die enige scepsis toont over dit recht op beledigen en zeggen-wat-je-denkt.

Daarom steekt het vonnis van een rechter waarin alleen al het hebben van gedachten (en het uitwisselen daarvan in de kleinst mogelijke intimiteit) zwaar wordt bestraft, plotseling wonderlijk ouderwets af. In rechtskringen zal dat nog wel voor deining zorgen, want waar houdt de rechtspraak op, wanneer inmiddels zelfs de fantasie er onder valt?

Toch is dat niet de reden waarom deze zaak me door het hoofd is blijven spoken. Als staatsburger mag ik mij dan zorgen maken over mijn vrijheid, als persoon word ik door de plannen van het Franse duo infernal ook direct getroffen. Dat ik sinds jaren inwoner ben van het land van de verdwenen meisjes speelt daarbij ongetwijfeld een rol, en meer nog het feit dat ik een dochter heb die bij hen vast in de smaak gevallen zou zijn. Via haar ben ik plotseling zelf medebetrokkene in hun fantasie.

Is dat mijn private sores, waarmee ik niet bij de lezer en al helemaal niet bij de Franse rechter, zou mogen aankomen? Wat die laatste betreft: ongetwijfeld. Mijn walging en angst zouden op dit strafproces geen rol hebben gespeeld. Dat ik me niettemin toch in het hart geraakt voel, wijst op iets anders, dat niet van juridische maar van filosofische aard is.

Het is immers eenvoudigweg niet waar dat wat een ander denkt uitsluitend zijn zaak is. En des te minder is dat zo wanneer die gedachten mij (of mijn dochtertje) hadden kunnen betreffen. Tenslotte zijn wij het dan die, of we dat willen of niet, een rol zijn gaan spelen in zijn fantasieën, denkbeelden of oordelen. Wij hebben daar niets mee van doen – en toch gaat het over ons.

We kunnen nu eenmaal niet volhouden dat de-persoon-met-onze-naam die in de gedachten van de ander rondspookt helemaal los van ons staat. Dat blijkt al wanneer iemand iets over mij denkt dat pertinent onjuist is. Of ik wil of niet, ik word erdoor gehinderd. En ik ben van dat gevoel niet verlost wanneer ik mij hardnekkig voorhoud dat die ander zich vergist of sowieso een idioot is.

Jean-Paul Sartre heeft die vreemde gijzeling waarin ik mij de gevangene weet van het denken van een ander, prachtig geanalyseerd in zijn hoofdwerk Het zijn en het niet. Het is zijn blik die mij versteent, zo schreef hij. In andermans ogen word ik een ding waarvan ik de betekenis niet begrijp en waarover ik geen zeggenschap heb. En toch raakt dat mij zo diep dat het mij – vernederd, onbegrepen en miskend als ik mij weet – soms bijna kan vernietigen.

Daarom is de vrijheid van ons denken zo explosief wanneer het op de verhouding met een ander aankomt. Datgene wat onze meest eminente eigenschap is, is tegelijk de splijtzwam in iedere menselijke relatie. De vrijheid van mijn denken is óók mijn vrijheid om over de ander te denken wat ik wil. Hij is overgeleverd aan mijn luimen, waarvan niets garandeert dat ze welwillend of rechtvaardig zullen zijn. Daarom, aldus Sartre, verandert elke blik die de mijne kruist vanzelf in een strijdveld. Niet de verstandhouding en zelfs niet de liefde is de basis van iedere menselijke relatie, maar het conflict.

Misschien was Sartre in dat laatste iets te stellig. Maar intussen legt die bizarre rechtszaak in Noord-Frankrijk wel een unheimliche menselijke waarheid bloot die zijn gelijk in grote lijnen bevestigt. Het afgrijzen daarover steekt dieper dan de angst voor wat een meisje zoal overkomen kan. Niet alleen omdat de fantasieën van het duo mij het bloed in de aderen doen stollen, maar vooral omdat ik er niets tegen kan doen wanneer wij de willoze figuranten zouden worden in hun sinistere mise-en-scène. Tegen de blik van de ander ben ik weerloos, zelfs al is hij anoniem en ver weg.

Maar daarbij blijft het niet. Want plotseling ontdek ik dat het Franse duo en ik ook iets gemeen hebben. Ons geslacht verbindt ons en dat is een ongemakkelijke wetenschap. Hoe abstract die band ook mag zijn, onwillekeurig word ik daarmee deelgenoot aan het kwaad dat in Rouen beraamd werd. Let wel: níéts is er in mij dat mij zelfs in de verste verte medeschuldig zou kunnen maken. En toch kan ik mij aan die verwantschap niet onttrekken. Net als onder de blik van de ander die over mij oordeelt, voel ik de onherroepelijkheid daarvan in het feit dat ik mij schaam voor mijn geslacht.

Zo ben ik opeens van indirect medeslachtoffer een beetje mededader geworden – al heb alleen ikzelf het recht mij om mijn plaatsvervangende schaamte als heimelijke medeplichtige te veroordelen. Ieder ánder die dat zou doen (door bijvoorbeeld in een column het mannelijke kortweg gelijk te stellen met het kwaad), matigt zich een oordeel aan dat we terecht als discriminatoir hebben leren verwerpen. Zo’n uitspraak is, om de Franse denker Roland Barthes te parafraseren, ‘niet links, niet rechts, maar simpelweg fascistisch’.

Maar dat neemt mijn schaamte niet weg. Zoals ik mij eerder niet onverschillig kon voelen tegenover de plannen van het Franse duo, zo verbindt mijn schaamte mij met de misdaden van mijn geslacht. Dat besef onttrekt zich aan alle moraal, jurisdictie en rechtvaardigheid en bewijst dat wij nooit helemaal moderne individuen geworden zijn. De schuld van een ander uit ‘mijn’ groep straalt op mij af: daarin heeft ons bewustzijn nog altijd iets tribaals. De blik die ik werp èn die waarvan ik het voorwerp word, boort een andere laag in mijn wezen aan dan die waarin ik een een individuele, mondige en ongebonden burger ben. Ook daarover heeft geen rechter of columnist het recht te oordelen – maar wanneer ik mijzelf onder ogen zie, ontsnap ik niet aan dat ongemak.