Socialicen

De straatmuzikant is in de grote steden een bekende verschijning, gehaat door uitbaters, gevreesd door terraszitters. De Amsterdamse horecabazen begonnen een tijdje geleden een offensief tegen de guantanamera-besame mucho-yesterday-fiedelaars, maar ze komen telkens weer terug, vooral op het terrasje dat jij impulsief hebt uitgekozen. Niet zo vreemd, want ze hebben geld nodig, net als wij.

Een memorabele variant vormde de tapdanser die ik laatst op de Lindengracht in de Jordaan in actie zag. Geen straatmuzikant dus, maar een straatperformer. Hij was niet meer een van de jongsten, deze donkere man die me uit de Balkan afkomstig leek. Hij kwam bedaard de hoek om bij café Thijssen, waar op het terras zo’n dertig mensen de rust van de lauwe zomeravond met volle teugen inzogen.

Voorbij het beeld met de schrijver-onderwijzer Theo Thijssen zette hij een grote, lelijke transistorradio op het plein neer, drukte op een knop en deed enkele stappen in de richting van de terraszitters. Op een meter of vijf afstand bleef hij staan en terwijl de radio muziekklanken uit de jaren dertig als een blik groene erwten over iedereen uitstortte, begon hij aan zijn dansje.

Het was geen perfect dansje. Omdat de man door zijn leeftijd en enig overgewicht al wat stroef in de heupen was geworden, verliepen de wendingen met haperingen die de vaart uit zijn optreden haalden. De tapdans werd een onbedoelde parodie op de tapdans.

De stukjes voorwaarts en achterwaarts gingen nog wel, dan klikte het ijzer onder zijn versleten schoenen in een bijna opgewekt ritme. Maar de act wordt monotoon als je er niet af en toe een hupje of een draaitje – en liefst tegelijkertijd – uitgooit. Ik proefde dan ook bij mezelf de nodige bezorgdheid: hij gaat toch niet vallen? Na een minuut of zeven, acht was alles gelukkig voorbij. Dat is het enige voordeel van het eenzame bestaan als straatartiest: je kunt zelf een termijn stellen aan je lijden.

De man ging met een bakje langs zijn onvrijwillige publiek. Er waren niet meer dan drie mensen die wat gaven. Veel mensen doen net alsof ze zo’n man niet aan hun tafel zien staan. Ze zetten hun gesprek geanimeerd voort – die man lost vanzelf wel op, als een spook in een kinderstrip.

Toen hij klaar was, pakte hij zijn radio op en liep naar een bankje op het plein. Daar zakte hij mijmerend onderuit, met zijn rug naar het publiek dat hem al vergeten was.

Een uurtje later lag bij mijn thuiskomst een felicitatie van de Nationale Postcode Loterij op me te wachten. „U bent één van de winnaars van de Postcode Loterij IJsprijs! Dat is een speciale wijkprijs. Bij de trekking van mei wint u (…) een halve liter Ben & Jerry’s ijs.”

Ik begreep dat de Postcode Loterij en Ben & Jerry’s „dit jaar de handen ineen slaan om de sociale verbondenheid in Nederland te verbeteren”. Daarom introduceren ze samen Socialice, „een unieke combinatie van vanille-ijs met brokken chocolade, brownies en slierten framboos”. „Met Socialice proberen we iedereen in Nederland te stimuleren om weer eens gezellig een praatje met elkaar te maken, of de ander een handje te helpen. Gewoon meer Socialicen dus!”

Nooit weg, zo’n oproep.