Logeren in een legende

Shakespeare & Company, de roemruchte boekhandel in Parijs, trekt nog altijd literaire avonturiers. Het pand is niet te koop, maar een Tumbleweed kan er gratis overnachten.

„Ik studeer aan de universiteit die leven heet”, zegt John Lewis Shwisher. Hij is een 19-jarige Tumbleweed, een reiziger die hier gratis op een oud matras overnacht in ruil voor klusjes in de winkel. Hij wil het vreemdelingenlegioen in om Franse papieren te krijgen, want terug naar de States wil hij nooit meer. De meeste Tumbleweeds willen schrijver te worden. „Ik ben hier omdat ik een post-universitaire depressie heb”, zegt een meisje dat met een paar anderen tevergeefs wacht op een teaparty met de 94-jarige eigenaar van Shakespeare & Company, George Whitman.

Bladerend in Lewis Carolls Alice in Wonderland vraag ik me af of deze literaire legende een jeugdherberg is geworden. Sommige Tumbleweeds feesten langs de Seine, anderen duiken in bed met Anaïs Nin, Aldous Huxley, een studie over de Chinese revolutie of met boeken die nog afkomstig zijn uit de leenbibliotheek van de Amerikaanse Sylvia Beach, die in 1921 aan de Rue de l’Odéon de eerste Shakespeare & Co opende. Haar boekhandel werd een literair trefpunt voor onder meer Gertrude Stein, Ernest Hemingway, Djuna Barnes en werd bekend door de uitgave van Ulysses van James Joyce. Toen Beach weigerde de Duitse bezetter een uniek exemplaar van Joyce’ Finnegans Wake af te staan, moest ze de winkel sluiten.

Na de oorlog nam de Amerikaanse ex-communist en avonturier George Whitman de naam, collectie en reputatie van haar zaak over. Zijn boekhandel aan de Rue de la Bûcherie groeide uit tot een creatieve broeikas waar een nieuwe generatie schrijvers met elkaar dronk, in debat ging en uit eigen werk voordroeg. Tot op heden zijn het vooral de werken van Allen Ginsberg, Jack Kerouac en anderen van de BeatGeneration die hier goed lopen.

Sommigen menen dat Shakespeare & Co. onder het beheer van Sylvia Whitman, de dochter van de eigenaar, een ‘gewone’ boekhandel werd, al zijn er nog wekelijks lezingen van jonge schrijvers en organiseert ze iedere twee jaar een goed bezocht literair festival. Dit jaar ging het over biografieën en autobiografieën, voortbordurend op de traditie dat Tumbleweeds hun levensgeschiedenis hier moeten achterlaten. De broze Whitman drijft zijn gasten tot wanhoop met zijn legendarische woede-uitbarstingen en smijt soms met boeken of met de riem van zijn geliefde hond Colette. Dochter Sylvia is niet van plan iets te veranderen. Een bod op het pand wordt stelselmatig van de hand gewezen.

Veel logés hangen de bohémien uit, blij met gratis onderdak en literair geïnteresseerde leeftijdgenoten. Zoals Alexander Forsting, die hier naar eigen zeggen leerde wat ‘toewijding en passie’ is: „Shakespeare & Co. is idealisme pur sang. Uitgerekend op een plek in Parijs die is doordesemd van het Amerikaanse profijtbeginsel, houdt een uitgeweken Amerikaan iets van de oude Europese beschaving in stand.” In afwachting van toelating tot een universiteit vertrekt Forsting binnenkort naar een klooster. Hij is niet gelovig maar leerde van James Joyce dat mensen spirituele wezens zijn en ook kunst een religieuze ervaring kan zijn.

Voor één nacht krijg ik zijn bed in de kamer voor writers in residence. Van lezen komt niets omdat de lamp stuk is – ook de ‘rustic conditions’ behoren tot de legende. In de keuken lopen kakkerlakken over de rug van Montaigne en Koestler – alsof de gedaanteverwisseling die Kafka’s karakter Gregor Samsa onderging hier herhaaldelijk heeft plaatsgevonden. Toch fijn dat ik schone lakens heb meegenomen.