In Watou lijkt de verte nabijer dan ooit tevoren

Eens per jaar staat het Vlaamse dorpje Watou in het teken van kunst en poëzie. De bijzondere locaties en de kunst versterken elkaar.

Dreigend galmen de woorden van dichter Gerrit Kouwenaar door de verlaten gangen van rusthuis Eeuwige Lente in het Vlaamse dorpje Watou. Ze weerkaatsen tegen de gele tegeltjes op de wanden, stijgen op in het granieten trappenhuis: „Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis/ nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen.” Zoveel te doen en nog maar zo kort te leven, lijkt de 84-jarige Kouwenaar te willen zeggen. Op een andere plek had zijn gedicht Men moet misschien minder beladen geklonken. Maar hier, in dit kille rusthuis, denk je onmiddellijk aan de dood.

Zou het komen door het recente overlijden van Hugo Claus dat er dit jaar over de Poëziezomer van Watou zo’n grauwsluier hangt? Claus was een graag geziene gast in Watou, het dorp dichtbij de Franse grens dat al drie decennia lang een bedevaartsoord is voor kunst- en poëzieliefhebbers. De auteur werd er geëerd tijdens zijn 65ste, 70ste en 75ste verjaardag. Al jaren waakt zijn uit staal gesneden silhouet over het dorpsplein – een plein dat officieus Hugo Clausplein heet. Nu hij dood is, is de schrijver prominenter in Watou aanwezig dan ooit. Op alle zes de locaties waarlangs de kunstroute voert, kijken zijn staalblauwe ogen je vanaf videoschermen aan.

Als uitgangspunt voor de Poëziezomer dient dit jaar een regel uit een ander gedicht van Kouwenaar: ‘Dat de verte nabijer dan ooit was’. Volgens organisator Gwy Mandelinck verwijst het thema naar de brede horizon van de Poëziezomer in Watou, dit gehucht „op de achterkant van de maan” waar in de afgelopen jaren 1400 kunstenaars uit heel de wereld op bezoek zijn geweest. Maar net zo goed kun je ‘de verte’ lezen als ‘de toekomst’. Zo bezien gaat Kouwenaars gedicht over snel ouder worden. Dan lees je: later is opeens begonnen.

De kunstenaars zetten in Watou vraagtekens bij het tempo waarmee het moderne leven aan ons voorbij raast. Hun kunstwerken roepen op tot bezinning, tot een pas op de plaats. Ronduit melancholiek zijn de foto’s van Patrick De Spiegelaere, vorig jaar op 45-jarige leeftijd overleden aan een hersenbloeding, die in een oude boerderij zijn opgehangen. In stemmig zwart-wit legde De Spiegelaere in 2004 het silhouet van een man vast die in Lissabon over een tramrails springt. Net als op de beroemde foto van Henri Cartier-Bresson lijkt de figuur te zweven boven het spiegelende asfalt. Ernaast hangt, boven de ringen waar vroeger de koeien aan vast stonden, heel toepasselijk het weemoedige gedicht Beweging van Wislawa Szwymborska. „Jij huilt hier, daar wordt gedanst./ En ze dansen in jouw traan.”

Een mooie vondst dit jaar zijn de spiegelende platen waarop de gedichten zijn afgedrukt. Wie op het zonnige boerenerf van het Grensland het gedicht Extra time van Luuk Gruwez leest, alweer over een naderend einde, ziet daarin de eindeloze velden rondom Watou gereflecteerd. De verte lijkt daardoor inderdaad nabijer dan ooit. „Helemaal aan het eind wou hij zijn tuinpad breder/ omdat hij onvoldoende ruimte om te sterven had”, dicht Gruwez. En je twijfelt er geen moment aan dat die regels slaan op deze plek, in deze uithoek van Vlaanderen.

In Watou versterken de bijzondere locaties en de poëzie elkaar. Een gedicht als De kunst van het dragen van Hester Knibbe, over de wiegende tred van de dragers van een doodskist, wordt nog aangrijpender als het weerklinkt boven een kerkhof. In de naastgelegen Sint-Bavokerk hangt het gedicht De wolk van T. van Deel strategisch onder een metershoog venster. Terwijl je de regels leest, trekt het onderwerp van het gedicht mooi omkaderd aan je netvlies voorbij.

Ook voor de beeldende kunst vormt de Bavokerk een voorbeeldig decor. Tussen de aankondigingen van geboortes en overledenen draait de video Disco (2005) van Markus Muntean en Adi Rosenblum, waarin te zien is hoe de schoonmakers van een discotheek spontaan klassieke poses aannemen. Mannen met gespierde torso’s draaien om elkaar heen als op barokke schilderijen. Een meisje met een poppengezichtje en ogen kijkt hemelwaarts en laat de tranen over haar wangen biggelen. Vanaf een tegenoverliggende zuil in de kerk kijkt een kitscherig heiligenbeeld goedkeurend neer op zoveel hedendaagse pathos.

Grotesk is ook de bommenwerper die de Italiaanse Paola Pivi in zijn geheel in een schuur van de Douviehoeve liet neerzetten – op zijn kop, dus onschadelijk. Het is een spectaculair beeld, al is niet helemaal duidelijk wat het werk met de thematiek van de ‘nabije verte’ te maken heeft. In de staart van het vliegtuig ligt een minuscuul lieveheersbeestje. Zou de kunstenaar het diertje er zelf in hebben gelegd, om het contrast in grootte te benadrukken? Of was het toch een kind dat hier onbedoeld een poëtische daad heeft verricht?

In Watou, waar de wegen de namen van dichters dragen, vind je poëzie op iedere straathoek. Op de weg terug naar het dorpsplein passeer ik een cryptische tag van ene Timo „Vraag niets meer/ versta ruis/ geen taal”, staat er in knalrode spuitletters. Geen idee wat de woorden betekenen, maar ze zijn op hun plek in dit dichtersdorp, waar zelfs de graffiti poëtisch is.

Poëziezomer Watou. T/m 7 sept in Watou, België. Ma t/m za 14-19u, zo 11-19u. Inl : 0031-57-388093, www.poeziezomerswatou.be