Het wereldraadsel

Zelfs over vage en oude beloftes kunnen de belangrijkste industrielanden ter wereld van mening verschillen.

Tijdens hun jaarlijkse bijeenkomst zijn de regeringsleiders van de oude grootmachten (G8) het op Hokkaido eens geworden in welke mate de uitstoot van kooldioxide moet worden gereduceerd. In 2050 moet de emissie met 50 procent zijn afgenomen, hebben ze zich voorgenomen. Maar ze hadden zich nog niet verenigd of China en India lieten weten zich niet gebonden te voelen. De twee nieuwe grootmachten (met Brazilië, Mexico en Zuid-Afrika verenigd in de G5 van industriële ‘runners up’) hebben daarvoor hun eigen politieke motieven. In China is de emissie per hoofd van de bevolking vier keer lager dan in de VS, in India tien keer. Laat iedereen zich nu eerst eens aan het Kyoto-protocol houden, aldus president Hu Jintao van China. Die redenering heeft een hoog jij-bakgehalte, maar is wel begrijpelijk.

De besprekingen over de andere onderwerpen leden aan een vergelijkbaar euvel. De reeks onderwerpen was zo lang dat het er op lijkt dat de leiders hebben geprobeerd het wereldraadsel op te lossen. Wat is niet ter sprake geweest?

De dreigende voedselsituatie stond bovenaan. De G8 lanceerde een pleidooi voor meer evenwicht in productie én consumptie van energie en voedsel. De beloftes aan Afrika uit 2005 werden herbevestigd. Er werd hulp toegezegd aan de Palestijnen en aan Afghanistan, dat tevens werd opgeroepen meer eigen verantwoordelijkheid aan de dag te leggen. Tegen de autoriteiten in Zimbabwe werden juist sancties aangekondigd. Zorgen werden er uiteraard ook geëtaleerd: over de nucleaire ambities van Iran en Noord-Korea, de oorlog in Darfur en de hulpverlening in Birma. Alleen de monetaire verwarring in de wereld, zoals kredietcrisis en lage dollarkoers, bleef buiten raar genoeg beschouwing.

De vraag rijst wat hiervan de zin is. De G8 dreigt door het gebrek aan daadkracht een soort sociëteit van oude machthebbers te worden. Dit lot kan de G8 het beste afwenden door zichzelf echt open te stellen voor de nieuwe concurrenten uit de G5 en andere strategisch machten. Bijvoorbeeld door zich om te vormen tot een G20, hetgeen ertoe zou leiden dat naast de nieuwe grote 5 ook cruciale landen als Turkije, Saoedi-Arabië en Indonesië kunnen aanschuiven.

Behoedzaamheid is daarbij uiteraard geboden. Een uitgedijde G8 moet geen debatingclub worden. Optimalisering van de effectiviteit van het beraad moet de norm blijven. Een nieuwe opzet van de mondiale industriële top ondermijnt bovendien de impliciete politieke consensus, die vanaf het begin in 1975 aan de toen nog democratisch kapitalistische G7 ten grondslag heeft gelegen.

Maar met de invitatie in 1997 aan Rusland is dat risico al eerder genomen. Toen was Rusland arm en op weg naar democratie, dacht president Clinton van de VS. Nu is het omgekeerd. De politieke gevolgen zijn dagelijks merkbaarder.

Als de oude acht daarmee moeizaam om kunnen gaan, kan de G8 zich ook handhaven in een groter en diverser verband.