Een redder op Spitsbergen

Tachtig jaar geleden werd hij een held: Sjef van Dongen. Na zijn spectaculaire zoektocht naar de Italiaanse poolreiziger Nobile werd hij – meer dood dan levend – ten noorden van Spitsbergen van de ijsschotsen gered.

In 1928 was het op Spitsbergen een drukte van jewelste. Honderdvijftig journalisten waren naar dit eiland in de Noordelijke IJszee afgereisd om verslag te doen van een spectaculaire poolvlucht. De Italiaanse luchtvaartpionier Umberto Nobile wilde in dat jaar met een luchtschip op de Noordpool landen. Voor het vertrek was de zestienkoppige bemanning van het zeppelinachtige toestel nog op audiëntie bij de paus geweest. Paus Pius XI, zelf een fanatiek alpinist, had hun een tachtig kilo wegend eikenhouten kruis meegegeven met de opdracht om dit op de Noordpool te planten. Op 23 mei 1928 vertrok het gezelschap vanaf Kings Bay op Spitsbergen. De volgende dag al werd de pool bereikt. Maar het slechte weer stond een landing niet toe. Tijdens een korte plechtigheid werd, onder het op een grammofoon afspelen van het fascistische volkslied Giovanezza, het eikenhouten kruis naar beneden gegooid.

De terugtocht verliep dramatisch. Nobile kwam met zijn kolossale luchtschip in een sneeuwstorm terecht. Nadat de propeller enkele brokstukken ijs door de romp had geslagen en het hoogteroer was vastgevroren, moest een noodlanding worden uitgevoerd. Daarbij scheurde de commandogondel los van de met gas gevulde zeppelin. Nobile bleef met acht bemanningsleden op een ijsschol achter. Het onbestuurbaar geworden toestel vloog met de rest van de bemanning verder, om een eind verder neer te storten en in brand te vliegen.

In allerijl werden reddingsacties op touw gezet: Zweden, Noren, Finnen, Fransen, Russen en uiteraard Italianen gingen op zoek naar de groep onfortuinlijke avonturiers. Onder hen bevond zich Roald Amundsen, de Noorse poolreiziger die als eerste zowel de Noord- als de Zuidpool had bedwongen. Hij moest zijn zoektocht naar Nobile met de dood bekopen.

De meest spectaculaire reddingsoperatie werd door een Nederlander uitgevoerd. De 22-jarige Sjef van Dongen kende de barre omgeving van Spitsbergen als geen ander. Als kantoorklerk bij Nespico, de N.V. Nederlandsche Spitsbergen Compagnie, verbleef hij al sinds 1923 op dit noordelijke eiland. Nespico exploiteerde er een steenkolenmijn.

Sjef van Dongen ging met negen sledehonden op zoek naar de Italianen. Hij had tijdens deze barre tocht gezelschap van zijn Noorse vriend ir. Varming. Maar deze moest al snel wegens sneeuwblindheid afhaken en werd vervangen door de Italiaanse Alpenjager kapitein Sora. Ze haalden halsbrekende toeren uit om, van ijsschots naar ijsschots springend, in de buurt te komen van de plaats des onheils. „Wij gingen”, aldus Sjef van Dongen, „om de beurt, een hond bij den nek pakkende, met een bootje bestaande uit een vijftal gummiblazen verbonden met latjes, het water over.” Naarmate de zoektocht langer duurde en de rantsoenen slonken, werden de zwakste honden afgeschoten om als voedsel voor de anderen te dienen. Op het laatst aten Van Dongen en Sora ook zelf van het taaie hondenvlees.

Na bijna vier weken hadden ze nog geen spoor van de vermiste Italianen gevonden. Het merendeel van hen was op dat moment al door een Zweedse reddingsploeg in veiligheid gebracht. Toen Van Dongen de hoop had opgegeven de thuisbasis nog levend te bereiken, hoorde hij in de verte de stoomfluit van de Russische ijsbreker Krassin. Een dag later vlogen drie vliegtuigjes over de plek waar de twee uitgeputte mannen bivakkeerden. Een Zweedse vlieger zette zijn toestel aan de grond. Alles moesten zij op het ijs achterlaten: de vijf nog overgebleven honden, hun kleren en het fototoestel. „Er was geen tijd zelfs om sokken en pantalon aan te trekken, elk oogenblik kon het vliegtuigje tusschen het steeds in beweging zijnde ijs gekraakt worden.” Hen wachtte op Spitsbergen een heroïsche ontvangst. Van Dongen: „Half gekleed, sinds drie weken niet geschoren, wat ik aan kleeren aan had was stuk, evenals mijn huid die er werkelijk door de kou, het nat en de zon bij lappen bij hing.”

Nederland had er wél een held bij. Zijn werkgever gaf hem een driejarige beurs voor een studie naar keuze. Het poolavontuur opende zo onbedoeld voor hem deuren: in 1946 werd Sjef van Dongen burgemeester in Aardenburg (Zeeuws-Vlaanderen) en van 1956 tot 1966 was hij voor de KVP lid van de Tweede Kamer.