Boekhouden om het klimaat te redden

De G8 spreken zich in een gezamenlijke verklaring uit voor een krachtig klimaatbeleid. Maar de onderbouwing ontbreekt.

De twee verklaringen die in de afgelopen twee dagen op de G8-top in Japan over klimaatverandering zijn verschenen, vertonen opmerkelijke verschillen. Zonder China en India kan het niet, zeggen de G8-landen in de eerste verklaring. Eerst de rijke, geïndustrialiseerde landen, zeggen China en India in de tweede verklaring, die mede door deze twee landen en andere ‘opkomende economieën’ is ondertekend.

In de eerste verklaring stelt de G8 zich ten doel „om de uitstoot van broeikasgassen in 2050 met ten minste 50 procent te reduceren”. Met nadruk wordt er aan toegevoegd dat dit doel alleen bereikt kan worden „door een wereldwijde reactie, in het bijzonder door de bijdragen van alle grote economieën”, natuurlijk rekeninghoudend met ieders verantwoordelijkheden en mogelijkheden.

Voor de opkomende economieën ligt de nadruk juist op die verschillende verantwoordelijkheden: „De ontwikkelde economische grootmachten zullen, overeenkomstig internationale verplichtingen, doelstellingen voor de middellange termijn formuleren en de bijbehorende acties ondernemen om een absolute reductie van broeikasgassen te bereiken en, voor zover van toepassing, zo snel mogelijk een einde maken aan de groei van de uitstoot.” De opkomende economieën zullen, volgens die tweede verklaring, met financiële en technologische steun van de rijke landen een beleid ontwikkelen dat „afwijkt van business as usual uitstoot”.

In feite is dit de patstelling die al bestaat sinds 2001, toen de kersverse president George W. Bush het Kyoto-protocol afwees omdat de eigen economie daardoor te zeer zou worden getroffen. Er is in de tussentijd wel iets veranderd. Niemand heeft het nog over de vraag óf het versterkte broeikaseffect wel echt bestaat. Sterker nog, de G8-landen zeggen nadrukkelijk dat ze de laatste conclusies van het IPCC, het wetenschappelijke panel van de Verenigde Naties, delen. Daarin staat dat aan de menselijke invloed op klimaatverandering niet langer getwijfeld hoeft te worden.

Dus gaat het nu vooral over verantwoordelijkheden. Alle betrokken landen zijn het er over eens dat er eind 2009 in Kopenhagen een serieus klimaatakkoord moet worden gesloten – als opvolger van het Kyoto-protocol. In de aanloop daar naartoe probeert iedereen een gunstige onderhandelingspositie te creëren. En dat gebeurt vooral via creatief boekhouden.

Een belangrijke boekhoudkundige truc gaat over ‘het ijkjaar’. Tot voor kort werden reducties van broeikasgassen altijd afgemeten aan 1990 – ook de maat in het Kyoto-protocol. Maar met name de Verenigde Staten waren de afgelopen jaren niet in staat om hun uitstoot te reduceren – in tegendeel, die groeide met 16 procentpunten. Door niet 1990 maar bijvoorbeeld 2005, 2008 of misschien zelfs 2012 (als ‘Kyoto’ afloopt) als de nieuwe maat der dingen te kiezen, kunnen rijke landen een heleboel broeikasgassen wegmoffelen. In de G8-verklaring wordt met geen woord over een ijkjaar gerept.

De tweede boekhoudkundige truc gaat over de uitstoot zelf. De doelstelling – halvering in 2050 – wordt niet gespecificeerd. Nergens staat iets over wat er de komende jaren (tot 2020) moet gebeuren of waar.

De VS wijzen er graag op dat klimaatbeleid alleen zin heeft als China verplichtingen op zich neemt. Het land is tenslotte nu al verantwoordelijk voor bijna een kwart van de wereldwijde kooldioxide-uitstoot en dat zal alleen maar meer worden. Maar China vindt dat de rijke landen de wereld met dit probleem hebben opgezadeld. De gemiddelde Amerikaan, zegt men in China, verbruikt bijna vier keer zoveel broeikasgassen als de gemiddelde Chinees.

Beide landen hebben gelijk. Maar alleen door ook het gelijk van de ander te erkennen, kunnen ze in 2009 tot een akkoord komen.