Bikkelen terwijl de rest rosé drinkt

Ongeveer eenderde van de Nederlanders werkt in de zomermaanden stug door.

Een baas kan een vakantie-verzoek alleen weigeren met een ‘gewichtige reden’.

„Ons pand kijkt uit op het terrein van het theaterfestival de Parade in Utrecht. Als de halve stad rosé drinkt, bikkelen wij.” Menno Rook (33) werkt als projectleider voor ProRail. Midden in de zomer, wanneer het ook bij het spoorbedrijf (3.000 werknemers) rustig is, proberen Rook en zo’n 35 collega’s het spoorboekje voor 2009 dicht te timmeren.

De dienstregeling ‘puzzelklus’ komt elk jaar terug en de piek van de werkdruk ligt altijd in de zomer. Rook: „Eind augustus moet het spoorboekje klaar zijn. Dat betekent dat we soms dagen van twaalf uur maken.” Wie werkt op de afdeling capaciteitsverdeling van ProRail weet al vanaf het sollicitatiegesprek dat juli en augustus geen vakantiemaanden zijn. Menno Rook gaat sowieso liever buiten het hoogseizoen weg, maar als hij zich niet zou schikken, kan zijn baas hem vakantie ontzeggen.

Werknemers hebben jaarlijks recht op minimaal vier keer hun werkweek aan betaald verlof (bijvoorbeeld 4 × 36 uur = 18 werkdagen). Bij het opnemen van verlof gaat de wens van de werknemer voor. Het slimst is het om een vakantieverzoek schriftelijk in te dienen, omdat de werkgever dan binnen twee weken – ook schriftelijk – met een ‘gewichtige reden’ moet komen om het verlof niet toe te kennen. Zo’n reden heeft vrijwel altijd met de bedrijfsvoering te maken. Als de winst in het geding komt, kan de werknemer fluiten naar zijn vakantie. Ook als in de cao of het arbeidscontract bepalingen staan over vakantiedagen heeft de werknemer zich aan die afspraken te houden.

In de praktijk ontstaan weinig conflicten, omdat werknemers in typische ‘zomersectoren’ zoals de horeca, de dienstverlenende branche (zoals brugwachter of badmeester), of in bedrijven waar actualiteit en deadlines een rol spelen, weten dat de arbeid dan doorgaat.

Hoeveel Nederlanders doorwerken in de zomervakantie, wordt niet centraal bijgehouden. Het ContinuVakantieOnderzoek (TNS NIPO/NBTC) stelt dat in de zomer de ‘vakantieparticipatie’ het hoogst is, namelijk 62 procent. Omgedraaid: 38 procent van de Nederlanders gaat in de zomer níét met vakantie. Maar of zij in de tuin liggen, of aan het werk zijn, vertellen de cijfers niet.

Anita van Wijnbergen (42), communicatieadviseur van het Utrechtse college van B en W, maakt zich geen illusies meer over de „zogenaamd rustige” zomerperiode. Op haar afdeling wordt het werk dan over minder mensen verdeeld. Van Wijnbergen neemt in juli de portefeuilles over van twee afwezige collega’s. Met een beetje pech krijgt ze persvragen over onbekende terreinen: „Je denkt dat je toekomt aan het opruimen van je bureau of het opschonen van archieven, maar in werkelijkheid wordt je agenda gedicteerd door de actualiteit. Je hebt minder grip op je dag, dan wanneer de bezetting volledig is.”

Efficiënt werken is in juli en augustus moeilijk, aangezien andere afdelingen en bedrijven op halve kracht opereren. Rook: „Een wijziging in het spoorboekje kunnen we vaak niet zomaar doorvoeren. Mensen met antwoorden zijn niet altijd te bereiken, of hebben werk overgedragen aan collega’s die minder ingevoerd zijn.”

Van Wijnbergen ziet ook voordelen. „In de zomer is de groep collega’s kleiner. Je zoekt elkaar vaker op en helpt elkaar. Er is meer solidariteit. Het gevoel van ‘wij houden het schip op koers’.” In tegenstelling tot Rook, hoeft Wijnbergen niks op te leveren aan het eind van de vakantieperiode. „Ook als de mussen van het dak vallen, werken we door, maar we hebben wel de tijd om tussendoor even een ijsje te scoren.”