Stilte

Mahler ontvluchtte het lawaai in zijn componeerhutje. Maar stilte kan ook kwetsbaar of luidruchtig zijn. Bij een uitvaart bijvoorbeeld.

Hoor de stilte in de poëzie, stond onlangs in een krant. Vijf dichters waren uitgenodigd om stilte in dichtregels te verwoorden. Jammer dat prozaschrijvers niet mee mochten doen. Ook in proza bestaat stilte. Hoor maar.

De componist Gustav Mahler schreef zijn imposante en lawaaiige Zevende Symfonie in grote haast. Hij was afhankelijk van zijn schaarse ‘componeervakanties’ tussen het werk als directeur van de Weense Hofopera door. Mahler kon stilte creëren. Hij trok zich terug in zijn ‘componeerhutje’ waar geen mens werd toegelaten – alleen boeken van Goethe en Kant en muziek van Bach. Verder niets. In het werk van bijna anderhalf uur hoor je schrille hobo’s, verleidelijke walsjes, landelijke hoornpartijen, spetterende koperfanfares, jubelende piccolo’s, hysterische vioolstukken, donderende pauken, dreigende bastonen. In de finale wordt alles gecombineerd en komen er koeiebellen bij om het volume en de waanzin op te voeren. En dan is het afgelopen. De lucht is zwaar en log. De atmosfeer uitgeput en lamgeslagen. Er is geen hoop meer. De stilte is het einde van een tijdperk. De toekomst is onzeker. De stilte overbrugt twee werelden: die van de grenzeloze muzikale illusie naar de alledaagsheid van de eerste onnozele toeschouwer die begint te applaudisseren.

Stilte heeft één wezenskenmerk: lawaai. Bijvoorbeeld in het hoofd. Onlangs overleed een goede vriend aan de gevolgen van een verkeerd toegediende rugprik. Het hoofd vult zich ononderbroken met beelden van de vriend in de kracht van zijn leven, de verdwaasde achterblijvers, de avonden met wijn en verhalen, telefoongesprekken in de file, wandelingen tegen de wind in, wedstrijden in kennis over Kuifje, roddels over collega’s. Er is verzet van de kant van het leven dat gewoon wil doorgaan, maar dat te zwak is om betekenis te kunnen geven.

In de kerk zegt niemand iets, maar het is niet stil. In de hoofden roepen stemmen, beelden, kleuren, geluiden en geuren hard door elkaar. Je hoort een massa in paniek. Wanneer het orgel begint te murmelen en de zon door de glas-in-lood-ramen speelt, lijkt de kist tot enig rustpunt te zijn geworden. En als de stoet naar de begraafplaats schuifelt, is het lawaai moegestreden en wordt stille berusting hoorbaar. De knotwilgen wijzen gebald naar de enorme hemel boven de Kop van Overijssel. De schoenen raspen over het asfalt.

Het gepiep van het liftje dat de kist laat zakken. Een vlucht ganzen trekt ruisend over. De schepjes zand die op de kist ploffen. Een hond die blaft. En blaft. En blaft.