Spelen als beloning voor een monnikenbestaan

Bas Verwijlen (24) stopt ziel en zaligheid in schermen.

„Opofferingen zijn oké als ze beloond worden.”

Zodra schermer Bas Verwijlen zijn degen ter hand neemt verandert zijn gemoedstoestand. Dan wordt hij gevoed door emotie, gaat het van binnen bruisen en giert de adrenaline door zijn lichaam. Op de loper wordt ‘die Hollander’ vervolgens gevreesd door elke tegenstander. Tot genoegen van Verwijlen, die in een Duitse krant ooit een Kampfschwein werd genoemd. Grijnzend: „Een mooie benaming.”

Ja, een Kampfschwein, dat is hij. Een schermer met de Duitse mentaliteit van nooit opgeven en altijd maar doorgaan. Ook bij een grote achterstand blijft Verwijlen gevaarlijk. Het is Verwijlen ten voeten uit. Aan die ongebreidelde strijdlust dankt hij ook zijn plaatsing voor de Spelen, waar Nederland voor het eerst sinds 1988 (Seoul) weer met een degenschermer vertegenwoordigd is. Maar de weg naar ‘Peking’ was lang en slopend. Verwijlen had gekozen voor een kwalificatie via de wereldranglijst in plaats van een zonetoernooi, waarmee hij in een weekeinde klaar had kunnen zijn. Met opgetrokken neus: „Dat is alleen maar stressen; die ellende wil je niet meemaken.”

Maar de vereiste plaats bij de topdrie van de wereldranglijst was evenmin een sinecure. Ga maar na: Verwijlen moest een jaar lang kriskras over de wereld reizen om met een tachtigtal concurrenten af te rekenen. De schermer werd uiteindelijk tweede en slaagde waar hij zich bij aanvang maar 30 procent kans had gegeven. „Man, de stress van het rekenen heeft me een jaar van mijn leven gekost”, blaast hij vier maanden na kwalificatie nogmaals zijn wangen bol. „Vanaf het moment dat plaatsing zeker was, moest mijn vader om de vijf minuten zeggen: ‘Bas, je mag naar de Olympische Spelen.’ Ik kon het gewoon niet geloven. Pas toen ik per brief de bevestiging van sportkoepel NOC*NSF kreeg, dacht ik: Tjeminee, wat vet.”

Het is zijn monnikenbestaan waard geweest. Verwijlen kan lachen om de weken dat hij wel eens groen van verveling zag, omdat hij in diverse uithoeken van de wereld alleen maar in hotels en sporthallen verbleef. De goede resultaten hielden hem op de been, evenals zijn vader (bondscoach Roel Verwijlen, red.) die hem zo nu en dan vergezelde. „Ik hield steeds voor ogen dat het leven van een schermer altijd nog beter is dan werken; ik moet er niet aan denken van acht tot vijf achter een bureau te zitten. Maar bij het missen van de Spelen zou ik gek van ellende zijn geworden. Zulke opofferingen zijn oké als ze beloond worden.”

Waarop Verwijlens succes is gebaseerd? Volgens hem op een mix van discipline, doorzettingsvermogen, hard trainen en een vleugje psychologie. „Ik ben fysiek zeer sterk. Ik zorg er altijd voor dat ik een voorsprong op mijn tegenstanders heb. Toen Zuid-Koreanen, die zich helemaal suf trainen, mij na een toernooizege in Italië vertelden dat ze het fysiek tegen mij moesten afleggen, was me dat meer waard dan de overwinning.”

Maar zeker zo bepalend voor het succes was de controle over zijn emoties. Verwijlen: „Hoewel ik niet weet wat mijn reactie zal zijn als ik in Peking op één punt de gouden medaille mis. Maar er gaat geen materiaal of kraan in de kleedkamer meer stuk. Ik stop frustraties weg, analyseer de wedstrijd en probeer een fout geen tweede keer te maken. Ik kies niet langer blind de aanval als het spannend wordt. Ik heb geleerd verdedigend te schermen. Ik ben tactisch gegroeid. Maar ik blijf een emotionele schermer, die uit zijn dak gaat als hij wint en baalt bij tegentreffers van mindere tegenstanders. Die stemmingen heb ik ook nodig om goed te presteren.”

Verwijlen staat tegenwoordig zelfs open voor adviezen van een sportpsycholoog. Lange tijd had de schermer niets met „dat langdradig en zweverig gedoe”. Maar sinds anderhalf jaar is zijn scepsis verdwenen en heeft hij baat bij ontspanningsoefeningen van sportpsycholoog Rico Schuijers. Verwijlen is echter wel het type van de praktische toepassing. „Ik wil weten wat ik moet doen, al is dat een kwartier naar een vlag staren en rare teksten uitspreken. Als het maar werkt. En dat blijkt zo te zijn, want niemand die graag tegen me schermt.”

Door ooit voor degen te kiezen wist Verwijlen dat hij niet de gemakkelijke weg zou bewandelen. De populariteit van dat wapen impliceert een moordende concurrentie. Maar als je groot en sterk bent in plaats van klein of breed, is er geen alternatief. Bovendien verfoeit Verwijlen de inbreng van een jury, zoals bij floret en sabel. „Ik heb een hekel aan jurysporten, daar wil ik niets mee te maken hebben. In tegenstelling tot andere wapens is bij degen het hele lichaam trefvlak. Dat vind ik mooi, omdat het dicht bij het oorspronkelijke zwaardvechten staat.”

Het wapen zet Verwijlen letterlijk naar zijn hand. Elk nieuwe kling (lemmet) zet hij in de bankschroef om net zo lang te buigen tot het de gewenste kromming heeft. „Als dat ding nieuw is, zit er geen gevoel in. Als ik mijn degen vastpak, moet ik meteen denken: dat is lekker, nu kan ik doen wat ik wil. Dat geldt ook voor de greep, waar ik net zo lang iets van afzaag tot het goed in mijn hand lig. Ja, daarin ben ik pietluttig.”

Mooi, dat leven als topsporter, vooral nu hij naar de Spelen mag. Maar er is een keerzijde. Voor de schermer zijn dat onder meer de whereabouts, de opgaven van zijn dagelijkse verblijfplaatsen voor de ‘vliegende dopingcontroles’. En dat in een sport waar volgens Verwijlen geen enkele vorm van doping werkt. „Bij schermen gaat het om wat zich in het hoofd afspeelt. En er bestaat geen doping om slimmer te worden. Maar ik moet zowel voor de Nederlandse Dopingautoriteit als de internationale schermfederatie whereabouts invullen. Om gek van te worden. Ik vind het belachelijk. Een sporter heeft ooit gezegd dat een tbs’er meer vrijheid heeft. Dat klopt. Voor een dopingsport als wielrennen kan ik al die regels nog begrijpen, maar schermen?”

En partydrugs dan? Vormen verboden middelen als cannabis en cocaïne geen gevaar voor schermers? „Man, ik heb niet eens tijd om uit te gaan”, zegt Verwijlen lachend. Gekscherend: „Af en toe denk ik wel eens: nu een blowtje om te relaxen. Maar geen haar op mijn hoofd die eraan denkt het ook te doen. Daarvoor staat te veel op het spel. Toen ik een jaar of veertien was, heb ik als experiment wel eens geblowd. Sindsdien niet meer. Ik vind het dom als een topsporter met drugs gepakt wordt.”

Dit is deel 8 in een serie olympische portretten. Lees vorige delen op nrc.nl/olympiërs