Een man

Op een mooie zomeravond nam ik na een uiterst Hollands dagje aan het strand (zand, kouwe zee, haring) met mijn vrouw de trein terug naar huis.

In Haarlem stapte een lange man met grijs, achterover gekamd haar binnen. Hij was een jaar of zestig en maakte een beschaafde, ingetogen indruk in zijn goedzittende vrijetijdskleren – een sportief bordeauxrood jasje boven een donkerblauwe broek.

Hij keek welwillend naar ons, terwijl hij bij het raam aan de andere kant van het pad plaatsnam. Nu wilde het vervelende toeval dat mijn vrouw net op zijn moment van binnenkomst aan mijn schoenen zat te frutselen.

„Wat een stof!” riep ze, „daar mag je wel eens wat aan doen.”

Een overbodig advies, want ze deed er al wat aan, en hoe – met een papieren zakdoekje veegde ze bliksemsnel de schoenen af. Ze had zich vroeger voorgenomen dit nooit te zullen doen, maar het huwelijk corrumpeert.

Licht geamuseerd bekeek de grijze man dit anti-emancipatoire tafereel. Toen stak hij plagerig zijn been uit naar mijn vrouw met de onuitgesproken vraag: „Ik ook?”

Mijn vrouw lachte. „Eén man is genoeg”, zei ze.

De man keek weer voor zich. Ontspannen leunde hij achterover, zonder zijn waardigheid te verliezen. Hij had een markante kop – pluizige wenkbrauwen, hoog gewelfd voorhoofd, scherpe neus, lichtgebronsde huid met milde groeven.

Sommige mensen kunnen mooi zijn zonder hun best ervoor te hoeven doen. Benijdenswaardig.

Terwijl we voortjoegen naar Amsterdam nam ik de man af en toe van terzijde op. Hij las noch sliep, hij keek alleen maar voor zich uit, maar met een intense blik, alsof hij aan iets zeer belangwekkends dacht.

Ik weet niet of hij diepe gedachten had, maar hij was in ieder geval diep in gedachten. Het liefst zou ik hem gevraagd hebben: „Waar denkt u aan?” Helaas is dat niet gebruikelijk, hoewel het tot verrassende antwoorden zou kunnen leiden.

„Seks met Rita Verdonk.”

„Twee bolletjes stracciatella mét slagroom.”

„Hoe moet het straks met Mark van Bommel?”

En dan heb ik het nog alleen over mánnengedachten, de enige waar ik een beetje verstand van heb. Maar de grijze man zou ik nooit van zulke triviale gedachten durven verdenken. Daarvoor leek hij me te hoogstaand.

Opeens waagde ik me aan een vreemd gedachte-experiment. Misschien kwam het doordat ik kort tevoren een aantal malen zeer grondig Nijhoffs gedicht Awater, over die Jezusachtige wandelaar in Utrecht, gelezen had. („Hij werkt op een kantoor, heet daar Awater. Zie hem. (…) Niemand heeft ooit hetgeen hij roept verstaan.”)

Ik ben geen gelovig mens, maar toch dacht ik even: stel dat die man aan het raam God is.

Ja, als ik God was, zou ik me af en toe op deze manier onder de mensen begeven. Naamloos, vriendelijk, oplettend. Eens kijken hoe de luitjes zich gedragen. Vandaag wilde Hij even Abrahams bekijken, Hij was toevallig toch in de buurt. Kon Hij meteen een rapportje opstellen, voor later.

Wat voor indruk zou ik hebben gemaakt? Die schoenen, nee! En wat had ik daarna gedaan? De Metro lezen zonder met mijn vrouw te praten!

Ik zuchtte. Zó kwam ik nooit hogerop.