Digitale wetten

Iedereen moet zelf beslissen of hij of zij klaar is voor elektronische communicatie met de overheid, zegt de wet. De wetgever houdt zich daar zelf niet aan.

Mag een gemeentelijke parkeermeter de automobilist dwingen alleen met een chipknip te betalen en munten weigeren? Deze vraag leidde enkele jaren geleden tot verdeeldheid tussen twee gerechtshoven.

Het hof in Arnhem oordeelde in het geval van Nijmegen dat een exclusieve chipknipregeling de burger onvoldoende in de gelegenheid stelt zijn lokale belasting te voldoen, want dat is het parkeergeld tegenwoordig. Het hof in Den Haag had daarentegen in het geval van Rotterdam geen moeite met de verplichte chipknip. Den Haag won bij de Hoge Raad.

Het bezwaar dat het weigeren van parkeermunten zich niet verdraagt met de invoering van de euro als internationaal betaalmiddel, werd zelfs niet een vraag aan het Europese Hof voor Justitie waardig bevonden. Hoewel dat wel bij mindere kwesties gebeurt. Kan een overheid de burger verplichten af te zien van een wettig betaalmiddel ten gunste van een digitale variant die veel minder ingeburgerd is? Ons hoogste rechtscollege maakte er weinig woorden aan vuil.

Toch is de ‘nevenschikking’ van elektronische en conventionele middelen een wettelijk erkend beginsel. Het ligt met zoveel woorden ten grondslag aan de Wet op het elektronisch bestuurlijk verkeer (Webv) die sinds 2004 van kracht is.

Deze wet stelt regels voor de toenemende digitale omgang tussen overheid en burgers, ook wel e-government genaamd. De elementaire spelregel is dat overheid en burger niet buiten de wil van de ander gebruik kunnen maken van elektronische communicatie. „De elektronische weg is van facultatieve aard”, zei de regering er voor alle duidelijkheid bij. ‘Keuzevrijheid van het contactkanaal’, is ook het eerste gebod van een ‘burgerservicecode’, opgesteld door het platform burger@overheid.nl.

In werkelijkheid is een sluipend proces van ‘verdringing’ aan de gang, zoals de Tilburgse hoogleraar recht en informatisering Corien Prins signaleerde in het blad Computerrecht. De belastingdienst dwingt de burgers tot elektronische aangifte (en maakt er vervolgens een rommeltje van). Dat betekent dat belastingplichtigen een computer met internetaansluiting – en beveiliging – dienen te hebben – en daarmee om kunnen gaan.

Dit is meteen een opstapje voor de Belastingdienst om de belastingformulieren van de burger vooraf in te gaan vullen. Vrijwel alles is immers toch al bekend. Wie het er niet mee eens is, moet maar bezwaar maken. Prof. Prins protesteerde met reden tegen deze elektronisch „afgedwongen omdraaiing van de klassieke rolverdeling tussen burger en overheid”.

De elektronische overheid zet niet alleen de burgerrechten op zijn kop. Het openlaten van alternatieven, nevenschikking dus, is een essentieel element van de bestrijding van de kwetsbaarheid van de moderne informatiemaatschappij. Dit belang behoeft weinig adstructie in een tijd van ‘identiteitsdiefstal’ en gemene virussen. Deze kwetsbaarheid is echter geen onontkoombaar noodlot maar mensenwerk, een gevolg van afhankelijkheid. Deze kan worden verminderd door redundancy, zoals dat in het jargon heet: alternatieve communicatiekanalen in plaats van de sluipende verdringing zoals die door de Hoge Raad werd bekrachtigd.

Zelfs de wetgever spreekt zichzelf nu tegen. Het beginsel van nevenschikking wordt met zoveel woorden opzij geschoven in de nieuwe Bekendmakingswet die vlak voor het zomerreces zonder veel omhaal werd aangenomen door de Tweede Kamer. Hoofdargument: papieren publicatie is ‘afgekalfd’.

Voortaan geldt alleen elektronische publicatie. Dat gaat verder dan de vraag of een e-mailtje volstaat en een brief vereist is. Overheidbesluiten, inclusief algemeen geldende voorschriften, treden pas in werking als ze bekend zijn gemaakt. Eenieder wordt geacht de wet te kennen, niet alleen internetgebruikers.

Het Belgische Arbitragehof floot als hoogste rechter in 2004 de regering in Brussel terug toen deze afkondigde dat het Staatsblad – ook daar het officiële medium voor alle nieuwe regelgeving – in beginsel alleen nog maar elektronisch verschijnt. Het argument dat de burger dan maar even op de computer van de openbare bibliotheek of het gemeentehuis moet kijken of hij een kopie nodig heeft, maakte terecht geen indruk op de rechters.

In de meeste landen zijn de mensen die het meest gebruik maken van overheidsdiensten, de ouderen en de minderbedeelden, het minst thuis op internet, signaleerde The Economist eerder dit jaar in een bijlage over de ‘elektronische bureaucraat’. Het streven naar e-government is prachtig, maar de overheid dient de ‘digitale kloof’ wél serieus te nemen. Nog afgezien van eerbied voor de wet.

Frank Kuitenbrouwer is medewerker van NRC Handelsblad.

Reageren kan via kuitenbrouwer@nrc.nl of via nrc.nl/kuitenbrouwer (Die reacties worden openbaar na goedkeuring door de redactie.)