De thuiszorgkolchoz

Twee grote thuiszorgorganisaties in het noorden van het land hebben de zomer aangegrepen om nationaal aandacht te vragen voor dreigend geldgebrek. Thuiszorg Groningen en het in Overijssel en Gelderland opererende Sensire slaan alarm door nieuwe aanvragen voor eenvoudige zorg te weigeren. Dringende gevallen worden wel in behandeling genomen. Op dit moment is er nog geen noodsituatie. Maar na de vakantie, als het geld mogelijk op is, moeten ze concurreren met andere organisaties die de hand ophouden. Dus dan nu maar even aan de bel trekken.

Hoewel niet acuut, is er wel degelijk een probleem . Tekorten van thuiszorgorganisaties ontstaan mede door de ingewikkelde aanbodfinanciering van de zorg voor langdurig zieken. Om de kosten in de hand te houden, hebben de ontwerpers van het stelsel er een moeilijke puzzel van gemaakt. Met marktwerking, waarbij rekening wordt gehouden met de wensen van de cliënt of met de geleverde kwaliteit, heeft het weinig te maken. Er zou eerder gesproken kunnen worden van een publiek-private kolchozconstructie.

Het geld, dat uit de volksverzekering AWBZ komt, wordt op grond van schattingen van de Nationale Zorgautoriteit verdeeld over 32 regionale zorgkantoren. Dat zijn instellingen met een publieke functie, maar ze worden bestierd door de particuliere verzekeraar die in de betreffende regio dominant is. Ze distribueren het geld onder de thuiszorginstellingen, ongeacht de vraag van dat jaar. Als het budget van zo’n instelling op is, moet deze de cliënten naar elders verwijzen. Dat is een inefficiënte manier van bezuinigen.

Als de zorgkantoren scherp inkopen bij de thuiszorginstellingen, met oog voor geleverde kwaliteit en prijs, worden ze daar bovendien niet voor beloond. In feite dienen ze als doorgeefluiken van volksverzekeringsgeld. Dat een particuliere verzekering het kantoor administreert, maakt geen verschil. In de regio is er geen concurrerend zorgkantoor dat bij wanprestatie de markt kan overnemen.

De noordelijke thuiszorginstellingen die alarm hebben geslagen, willen meer geld eer ze weer patiënten aan kunnen nemen. Omdat er geen sprake is van een markt, waarbij de patiënt met eigen geld voor een concurrerende prijs zorg van de gewenste kwaliteit kan kopen, is echter niet meteen na te gaan, of instellingen hun geld efficiënt hebben beheerd.

Het enige dat zeker is, is dat kosten van de thuiszorg door vergrijzing en loonstijgingen flink blijven groeien.

De Sociaal-Economische Raad heeft geadviseerd de impasse te doorbreken door de thuiszorgorganisaties niet meer vooraf te financieren met een vast budget, maar achteraf op grond van declaraties voor geleverde zorg. De best presterende thuiszorginstelling krijgt dan ook het meeste geld.

Dat veronderstelt dat er concurrentie is. De keuze van de cliënt wordt door de fusies in de thuiszorg echter juist flink beperkt. Bovendien geeft een cliënt niet zijn eigen geld aan de zorg uit, maar dat van de AWBZ. Een echte markt zal dus niet snel ontstaan. Meer concurrentie is wel mogelijk.