Amsterdam verbeeld in duizend doeken

Het Amsterdams Historisch Museum opende vandaag een databank voor kunst over Amsterdam. Ook verscheen het boek De oude meesters van Amsterdam– over de eigen museumcollectie.

Toen Lodewijk Napoleon in 1808 het stadhuis van Amsterdam tot zijn paleis maakte, moesten de stadsbestuurders verkassen naar het veel kleinere Prinsenhof. De schilderijen die zij meenamen pasten lang niet allemaal.Van zeker twee schuttersstukken werd een stuk afgesneden of -gezaagd.

Dit verhaal over de schutters- en regentenstukken is een van de vele verhalen in De oude meesters van Amsterdam. Dit boek dat vanavond officieel ten doop wordt gehouden, beschrijft duizend schilderijen van het Amsterdams Historisch Museum (AHM) tot 1800. Daarnaast is vandaag een databank geopend met de schilderijen die Amsterdam tot onderwerp hebben, plus een keur aan wetenschappelijke artikelen en afbeeldingen.

De samenstelling van de catalogus was een tijdrovende operatie, doordat er zoveel schilderijen met een Amsterdamse signatuur zijn. „De aantallen zijn in vergelijking met andere oud-Hollandse steden enorm”, zei samensteller Norbert Middelkoop vanmorgen bij de presentatie. Middelkoop, conservator van het AHM, telt alleen al 58 schuttersstukken en evenzoveel regentenstukken: „Hoe goed de schuttersstukken van Frans Hals ook zijn, qua hoeveelheid kan Haarlem hier niet tegenop.”

De geschiedenis van de totstandkoming van de collectie is er een van aankopen, schenkingen, verhuizingen, legaten en bruiklenen. De bouw van het stadhuis in de zeventiende eeuw – tegenwoordig het Paleis op de Dam – was bijvoorbeeld een belangrijke aanjager voor de schilderijen van Amsterdamse taferelen. Zo kocht de stadsbestuur in 1657 een schilderij van het oude stadhuis, gemaakt door Pieter Saenredam. Het doek van Saenredam, die faam verwierf als schilder van kerkinterieurs, was bij wijze van spreken nog nat.

Voor de bel etage van het stadhuis werden meer schilderijen van grote meesters verworven, maar in de loop van de jaren raakte het geld voor de decoratie op. „Eind zeventiende eeuw werd de economische crisis voelbaar. Voor de hoger gelegen verdiepingen werden schilderijen gehaald uit de gebouwen van de schutterijen die in verval waren”, vertelt Middelkoop.

Zo belandde de Nachtwacht van Rembrandt in het stadhuis, waar het schilderij te groot bleek om tussen twee deuren te passen. Het mes ging erin, zoals bekend. „De eerste die zich daar later boos over maakte, was Jan van Dijk, die in de achttiende eeuw schilderijen begon te restaureren en te beschrijven”, zegt Middelkoop.

Een andere belangrijke bron voor de collectie Amsterdamse schilderijen was de nalatenschap van de steenrijke bankier Van der Hoop. Halverwege de achttiende eeuw had Van der Hoop een geweldige verzameling met onder meer Vermeer en Steen bijeengebracht. Deze schilderijen kwamen via allerlei omwegen terecht in het Rijksmuseum dat in 1885 werd opgericht. Middelkoop: „Het Rijksmuseum heeft door allerlei schenkingen van Amsterdamse patriciërs lang een te sterk Amsterdams karakter gehad.”

Door bruiklenen aan het AHM werd dat in de loop van de twintigste eeuw minder. Het Rijksmuseum wilde heel lang niet een anatomische les van Rembrandt afstaan, maar in 1994 gebeurde dat uiteindelijk toch dankzij een een-tweetje tussen de toenmalige directeuren van Os (Rijks) en Kruseman (AHM). De grootste misser was de collectie van Dreesmann, die in de jaren vijftig aan het AHM voorbij ging. Middelkoop: „Dreesmann wilde wel, maar na zijn overlijden vroegen de erven te veel geld. Heel jammer, want de collectie was fantastisch en heel Amsterdams.”