Zen en de kunst van het moordzaken oplossen

De schrijver Jan Willem van de Wetering, die vrijdag overleed in de VS, zocht een leven lang naar antwoord op spirituele vragen. Maar hij werd beroemd met de avonturen van politieduo Grijpstra en De Gier.

Toen Jan Willem van de Wetering in 1975 Het lijk in de Haarlemmer Houttuinen publiceerde, had hij al een lange zoektocht achter de rug.

Bij zijn geboorte, op 12 februari 1931 in Rotterdam, overwogen zijn ouders hem als tweede naam ‘Crisis’ te geven, maar uiteindelijk werd het ‘Lincoln’; hij deelde zijn verjaardag met de legendarische president. In interviews heeft Van de Wetering het bombardement van Rotterdam, de Duitse bezetting en de verdwijning van Joodse klasgenoten altijd genoemd als de bepalende momenten in zijn leven. Hij gooide stenen naar een Christusbeeld en concludeerde dat als hij geen zelfmoord zou plegen, hij moest zien te ontdekken hoe dít mogelijk was geweest.

Die queeste voerde hem over de hele wereld. Als adolescent werd hij gegrepen door de poëzie van Baudelaire en Rimbaud en experimenteerde hij met zelfgemaakte drugs, zoals in jenever gedoopte gauloises. Zijn vader, een zakenman, stuurde hem naar Nyenrode en bezorgde hem in 1952 een baan als vertegenwoordiger in Kaapstad. De betrekking was van korte duur, maar Van de Wetering zwierf zes jaar door het land, onder meer als lid van een motorbende die zich had vernoemd naar een motief van Dostojevski: The Young Devils. De twintiger volgde colleges bij de vermaarde Londense logisch positivist A.J. Ayer, zweefde langs de Indiase filosofie en belandde in 1958 aan de poort van het Daitoku-ji-klooster in Kyoto.

Daar vond hij voor het eerst iets van wat hij zocht, in het zenbegrip ‘mu’, onthechting. Die ontdekking zou een plaats krijgen in zijn debuut: De lege spiegel. Beschrijving van een eerste bewustwording in Zen (1972). Er zouden nog verschillende boeken over hetzelfde onderwerp volgen; en niet alleen in de jaren waarin Zen in de mode was; acht jaar geleden nog schreef hij Zuivere Leegte.

In de jaren zestig en zeventig werkte Van de Wetering in Zuid-Amerika, Australië en Amsterdam, tot hij zich in 1975 aansloot bij een Zen-gemeenschap in Maine, waar hij zou blijven wonen. In Amsterdam was hij bij wijze van vervangende dienstplicht bij de Vrijwillige Gemeentepolitie gaan werken. Die ervaringen – en zijn liefde voor Georges Simenon en de Nederlandse sinoloog annex detectiveschrijver Robert van Gulik – lagen aan de basis van een lange detectivereeks over de politie-inspecteurs Grijpstra en De Gier. In 1974 schreef hij direct na elkaar vier politieromans. In een eigenzinnige, vaak geestige stijl zette hij de avonturen neer van de twee dwarse politiemensen, anarchisten als hijzelf, die naast hun werk ook nog samen musiceren.

Hoewel Van de Weterings beschrijving van het politiewerk vrij accuraat is, zijn de Grijpstra en De Gier-boeken allesbehalve eenvoudige speurdersromans. De boeken zijn eerder gedachtenexperimenten over de actualiteit. De seksuele revolutie, drugsgebruik en immigratie passeren de revue. Van de Wetering was zo een van de eerste misdaadauteurs die ook intellectuele lezers trokken.

Ruim 77 jaar nadat hij naar een Amerikaanse president werd vernoemd, stierf Van de Wetering na een lang ziekbed in Maine, op Onafhankelijkheidsdag.

Lees meer over Van de Wetering via nrcboeken.nl