Wit, wapperend wasgoed als metafoor voor het paradijs

Jeugdtheater Favorieten, door theatergroep Max. Regie: Jef van Gestel, Bianca van der Schoot, René Geerlings. Gezien 5/7, Over het IJ festival, daar t/m 13/7, daarna tournee. Info overhetij.nl en tgmax.nl

Moeders, angst voor monsters en twijfel over er wel of niet bijhoren, wel of niet normaal zijn. Het zijn belangrijke thema’s in het leven van acht-, negen- en tienjarigen. De onderwerpen komen samen in Favorieten, een drieluik voor achtplussers van jeugdtheatergroep Max., dat afgelopen zaterdag op het Over het IJ festival in Amsterdam in première ging.

Drie jonge theatermakers regisseerden hun favoriete verhaal in een bewerking voor kinderen. Het resulteerde in een speelse mime/dansbewerking van Belle en het Beest door Jef van Gestel, een indrukwekkende, maar half geslaagde kinderversie van Euripides’ Medea door Bianca van der Schoot en een grappige variatie op Witold Gombrowicz’ Yvonne, prinses van Bourgondië door René Geerlings. De drie zijn zo verschillend dat het nauwelijks zin heeft ze te vergelijken. Wel delen ze een paar waardevolle inzichten voor jonge toeschouwers, verpakt in fraaie theatrale metaforen.

Van Gestel maakte met zijn Belle en het Beest een bezwerende, muzikale mantra tegen de angst voor monsters. We zien het meisje Belle (Karolien Verlinden) slapen, in haar witte spijlenledikant met satijnen beddegoed. Dan komt, begeleid door de prachtige, vrolijk-spookachtige muziek van Jochem Baelus, plots het interieur tot leven: lades gaan vanzelf open, de kamerjas aan het haakje krijgt handen, het net nog zo veilige bed golft, schudt en hobbelt. En daar verschijnt Belles grootste angst in levende gedaante: een smoezelige, harige, trolachtige figuur (Roel Swanenberg) die vanonder haar matras zó haar vertrouwde slaapkamer in kruipt.

Wat volgt is een vrolijk, half gedanst kat- en muisspel, waarin Belle zich eerst laat verlammen door haar vleesgeworden angst, maar algauw ontdekt dat ze hem niet alleen kan misleiden, maar zelfs kan sturen – ze heeft hem tenslotte zelf bedacht. Aan het lieve slot blijkt dat als je je echt aan je angst durft over te geven, dit tot onvermoede rijkdom leidt.

Angst en acceptatie staan ook centraal bij Dit is mijn moeder van Bianca van der Schoot, geïnspireerd op Euripides’ Medea. Het is van de drie de meest ambitieuze en ook de minst geslaagde voorstelling – hoewel hij boordevol fraaie vondsten zit. Dat deze Medea-voor-kinderen niet helemaal werkt, ligt niet aan de topzware thematiek. Integendeel: Van der Schoot heeft het gruwelijke gegeven van de moeder die haar kinderen doodt ontroerend en integer verbeeld. Ze schreef Dit is mijn moeder vanuit het perspectief van de dode jongens, die we leren kennen in het hiernamaals. De hemel bestaat uit een verzameling wasmolens, zwaar beladen met smetteloos schoon, kraakwit wapperend wasgoed – een prachtige metafoor voor het paradijs.

Hun nieuwe omgeving brengt de jongste zoon (Roel Voorbij) ertoe te denken dat hun moeder hen simpelweg heeft weggetoverd – hup, zo de wasmolen in. De oudste, gespeeld door Gerold Guthman, weet wel beter. Hij probeert zijn broertje de harde waarheid te laten aanvaarden. Tussen die confrontaties door dollen en spelen ze, zoals kinderen doen, verkennen de omgeving, verstoppen zich, houden de ander voor de gek. Dat brengt plezier en lucht in de voorstelling.

De worsteling van de jongens is subtiel verbeeld. Hoe kun je accepteren dat de door jou aanbeden moeder niet alleen menselijk was, maar zelfs iets monsterlijks heeft gedaan? Knap van Dit is mijn moeder is dat naast dat besef nog ruimte bestaat voor mooie herinneringen, voor heimwee, ja, zelfs voor liefde. Van der Schoot slaagt er verbazingwekkend goed in niet gratuit over de ouderlijke wanhoopsdaad te oordelen.

Dit is mijn moeder vliegt alleen uit de bocht bij de pogingen om Medea er bij te halen. Dan praten de jongens ineens over Glauke en de vergiftigde jurk die haar het leven kostte, over hun vader die koning wil worden en over de drakenwagen. Het zijn terloopse referenties; verder wordt er met Euripides’ verhaal niets gedaan. Waarom die details dan niet gewoon weggelaten? Zo voegen ze weinig toe en zullen bij jeugdige toeschouwers slechts voor verwarring zorgen.

René Geerlings heeft het in zijn Gombrowicz-bewerking Yvon simpeler gehouden. Hier is de setting een kantine, waar het uitzendpersoneel zich verveelt op een bedrijfsborrel. Dorien Folkers en Manon Nieuweboer vertolken op hilarische wijze twee etterende, jennende vrouwen, die zich uit verveling maar op hun nieuwe, zwijgende collega Yvon (Jung-Sun den Hollander) hebben gestort. Omdat het meisje niet meespeelt – sterker: in het geheel niet reageert – worden ze steeds waanzinniger in hun pestpogingen.

IJzersterk is de scène waarin Folkers rood aangelopen en stampvoetend „IK BEN NORMAAL!” schreeuwt tegen Yvon, die zich maar niet wil gedragen zoals zij. Hoopvol aan de Yvon van Geerlings is ook dat hier het anders-zijn ten slotte triomfeert.