Verliezen

Hoe zal het Roger Federer vannacht zijn vergaan toen hij eindelijk naar bed kon? „Ga jij maar vast”, zal hij tegen zijn vriendin hebben gezegd, dat meisje dat er bij elk toernooi weer anders uitziet omdat ze worstelt met eetproblemen. „Ik ga nog even op het balkon staan.”

En daar stond hij dan te peinzen. Onder hem de stad met de lichtjes van al die mensen die vijf uur lang, tot diep in de avond, op het puntje van hun stoel naar hem hadden zitten kijken. Hoeveel mensen moesten het er wereldwijd wel niet geweest zijn? Talloos veel miljoenen.

Zou hij ze gelukkig hebben gemaakt met zijn spel? Zeker. Hij had zijn Wimbledon-titel tot zijn laatste snik verdedigd in een finale die al legendarisch was toen de laatste bal werd geslagen. Jammer dat hij die bal sloeg, en niet Rafael Nadal, want het was een foute bal.

Maar kon hij het helpen? Halverwege de laatste set had hij een vreemd visioen gekregen. Hij zag Rafael en zichzelf maar door tennissen, uur na uur, dag na dag, week na week, jaar na jaar, terwijl de tribunes om hen heen allang leeg waren. Geen van tweeën wilde van opgeven weten. Rafael was de coming man, die eindelijk zijn kans schoon zag om hem te onttronen. Maar hij had besloten zijn huid duur te verkopen. In Parijs had Rafael hem overklast, dat zou hem geen tweede keer overkomen.

Hij wist dat hij niet meer zo goed was als vroeger. Hij had de laatste jaren misschien te veel tijd besteed aan het poseren voor modetijdschriften en andere dingen. „Fashion is his passion”, werd wel over hem gezegd. Maar véchten kon hij nog wel. En toen Rafael hem in de eerste twee sets overdonderde, was er een koppig monster in hem opgestaan dat hem toesnauwde: „Federer, schaam je, ben jij die zogenaamd grootste tenniskampioen aller tijden?”

Daarom had hij zich teruggevochten in de partij. Totdat hij dat visioen kreeg. Het was een flits waarin hij even de betrekkelijkheid van alles zag. Even – maar genoeg om zijn concentratie te breken. Toen was het snel met hem gedaan.

Hier was hij nou altijd bang voor geweest. Hij kende de carrières van zijn voorgangers. Hij wist dat het hun allemaal op een kwaaie dag was overkomen. Laver, McEnroe, Borg, Becker, Sampras – al die grote kampioenen waren eerder onttroond dan ze zelf voor mogelijk hadden gehouden.

Vooral aan Borg moest hij steeds weer denken. Die had, net als hij, in 1981 na vijf overwinningen voor het eerst een Wimbledon-finale verloren, tegen de nieuwe ster McEnroe. Enkele maanden later verloor Borg opnieuw van McEnroe in de US Open. Niet veel later stopte hij, 27 jaar oud. En nog altijd wilde Borg, bijna dertig jaar later, niet goed uitleggen waarom hij die beslissing genomen had. „Diverse redenen”, zei hij op de BBC-tv tegen McEnroe, die hem destijds bijna gesmeekt had om door te gaan – dat was beter voor de sport geweest. Federer stapte van zijn balkon in de hotelsuite, het werd koud. Na deze avond begreep hij heel goed waarom Borg gestopt was. Kampioenen als zij waren te goed geweest om zich te laten vernederen. Alleen verliezers kunnen tegen hun verlies. Goed, hij zou het nog één jaar proberen, maar hij wilde niet blijven verliezen van Nadal, laat staan van mindere goden.

„Kom nou”, riep zijn vriendin.

Dat was waar ook, ze wilde kindjes had ze in een interview gezegd.