Pijp aan Maarten

Nu de horeca in Nederland – eindelijk – rookvrij is, is het moment aangebroken om te onderzoeken welke sporen het roken in de Nederlandse taal heeft nagelaten. Dat is niet in één aflevering van deze rubriek te doen.

We roken hier al eeuwen – pijp, shag, sigaren en sigaretten – we hebben tabak gesnoven, gekauwd en uitgespuugd, we hebben bovendien voor de tabak een belangrijke plaats in het maatschappelijk leven en in onze cultuur ingeruimd, dus er zijn een paar afleveringen nodig om een en ander te onderzoeken.

Dit is dus de eerste aflevering van een zomerserie, en net als altijd zijn alle aanvullingen en opmerkingen van harte welkom. Aarzel vooral niet om ook dialectwoorden en -uitdrukkingen in te sturen, die zijn vaak het zout in de pap.

Laten we om te beginnen bekijken welke woorden wij kennen voor ‘roken’. Algemeen bekend zijn paffen, dampen en smoken (dit laatste woord is vanzelfsprekend overgenomen uit het Engels). De Grote Van Dale vermeldt nog bavianen voor ‘zwaar roken, grote rookwolken uitblazen’, smoegelen voor ‘hard dampen, sterk roken’ en puffen voor ‘bij het roken kleine rookwolkjes met puffend geluid wegblazen’.

Voor het Belgisch-Nederlands zijn voor ‘roken’ onder meer opgetekend smoren, tabakken en trekken. Uit het Bargoens, de dieventaal, zijn onder meer bekend: fumen (uit het Frans natuurlijk), kauwen, smakken, smessen, sougeren en vlemmen.

Zonder twijfel duiden deze woorden verschillende manieren van roken aan. Je hoeft niet zelf gerookt te hebben om die verschillen te kennen. Kauwen en smakken zullen teruggaan op een bruuske manier van roken, met de tanden in de peuk, terwijl het bijvoorbeeld ook mogelijk is om bekoorlijk van een sigaretje te nippen – liefst met opgestoken pink. Een sigaret rook je niet op dezelfde manier als een sigaar en het roken van een pijp is al helemaal een kunst apart, wat je ook terugziet in de taal. Maar daarover later meer.

Uit de jongerentaal ken ik nog: een peukie doen („Zullen we effe een peukie doen?”) of een tabagga doen.

Vooral voor véél, zwaar, heftig roken hebben we allerlei uitdrukkingen. Algemeen bekend zijn roken als een ketter, als een schoorsteen of als een stoomboot. Minder bekend, maar wel erg fraai, is roken als een bovenboot. Een lezer schreef hierover: „Voor mij is de beeldspraak duidelijk: ik ben in 1931 geboren in Krimpen aan den IJssel en heb daar tot 1954 gewoond. Ik herinner me de ‘bovenboten’: heel grote (30 tot 40 meter lange) stoomsleepboten die een sliert rijnaken (‘kasten’) achter zich aan stroomopwaarts trokken. De Lek en de Rijn op tot het Ruhrgebied en wellicht verder. Daar was heel wat energie (steenkool) voor nodig en dat was te zien aan de enorme zwarte rookwolken die ze uitbliezen. Uitdrukking helemaal helder!”

Andere manieren om te zeggen dat iemand veel rookt: hij rookt als een Vesuvius; hij dampt als een baviaan (rokende dieren zijn zeldzaam, verwijst dit soms naar dampende uitwerpselen?); hij rookt als een schouw (opgetekend in Noord-Brabant); je eigen de pleuris, takketyfus etc. roken (Randstad), roken als een steenoven (van steenovens kwam een enorme walm af), roken als een Turk (momenteel rookt veertig procent van alle Turken boven de 15 jaar) en roken als een Chinees. Er is meer – wordt vervolgd.

Ewoud Sanders

Reacties naar sanders@nrc.nl of via www.nrc.nl/woordhoek