Musharraf bindt en verdeelt de regering

De Pakistaanse regeringspartijen zijn vooral druk met zichzelf. Daardoor hebben ze niet veel aandacht voor de terreurdreiging uit de tribale grensregio.

Een jaar nadat de bestorming van de Rode Moskee een lange reeks aanslagen in Pakistan inleidde, zijn er weinig tekenen dat de nieuwe regering een antwoord heeft gevonden op de terreurdreiging. In de honderd dagen dat de civiele regering nu het bestuur heeft overgenomen van president Musharraf zijn de hoofdrolspelers verstrikt geraakt in een machtsspel dat vooral gericht lijkt op het zekerstellen van hun eigen posities.

De Pakistaanse Volkspartij (PPP) van de vermoorde oud-premier Benazir Bhutto en de Pakistaanse Moslimliga-N (PML-N) van oud-premier Nawaz Sharif wonnen de verkiezingen in februari door de onvrede van de kiezers over het militaire bestuur van Musharraf, die tot vorig jaar tevens legerleider was. De bestorming van de Rode Moskee, waarin extremisten zich hadden verschanst, zette veel kwaad bloed omdat het leger in opdracht van Musharraf landgenoten aanviel.

PPP-leider Asif Ali Zardari en Sharif waren het er over eens dat de militaire strategie tegen de extremisten in de tribale grensregio met Afghanistan contraproductief was geweest en beloofden onderhandelingen met de stammen in het gebied. Die strategie leidde tot kritiek van de Verenigde Staten, Pakistans belangrijkste bondgenoot, die vrezen dat een volgende aanslag op het Westen in het stamgebied wordt voorbereid. Zij hadden liever een voortzetting van de harde aanpak gezien.

De regering onder aanvoering van PPP-premier Yousuf Gilani is nog onzeker over de nieuwe lijn. Tot op heden is in één belangrijke regio, de Swat-vallei, een verdrag tot stand gekomen: de militanten daar zouden stoppen met aanvallen op leger en politie en mochten in ruil bepaalde elementen uit de shari’a invoeren. Maar nog voordat de details waren uitonderhandeld vlogen er in de afgelopen weken weer meisjesscholen in brand en werden soldaten vermoord. Vorige week voerde het leger zijn eerste aanval uit in de tribale regio Khyber. Militanten uit dat gebied zouden de miljoenenstad Peshawar bedreigen. Er werden ruim 200 arrestaties verricht en wapens in beslag genomen, maar de belangrijkste leiders zijn ontkomen.

Met de aanval op Khyber nam de regering een risico: er zouden wraakacties kunnen volgen zoals gebeurde na de ontzetting van de Rode Moskee. De meest gezochte extremist, Baitullah Mehsud uit Zuid-Waziristan, schortte onmiddellijk zijn onderhandelingen met de regering op en dreigde met nieuwe aanslagen. Het is onduidelijk of de aanslag gisteren in Islamabad, die zeker vijftien levens kostte, een herinnering moet zijn aan de aanval op de moskee of de uitvoering is van Mehsuds dreigement. Sinds dit weekeinde proberen stamleiders in Khyber weer te bemiddelen tussen de regering en de militantenleiders.

De VS worden steeds ongeduldiger over de nieuwe aanpak. De Pakistaanse regering zou zich moeten concentreren op de strijd tegen terreur en de verslechterende economie, zei onderminister voor Zuid-Azië Richard Boucher vorige week, en niet op het wegkrijgen van Musharraf. Volgens hem is Musharraf „ op dit moment niet het probleem”.

De PPP en de PML-N zijn oude vijanden, en hun strijd tegen Musharraf is een van de belangrijkste onderwerpen die hen bindt. Op de dag na de verkiezingen in februari zei de Moslimliga dat zij Zardari het premierschap zouden gunnen als hij instemt met de heraanstelling van de vorig jaar ontslagen rechters, die dan waarschijnlijk Musharrafs herverkiezing als president zouden aanvechten.

Zardari is daar nog niet op ingegaan – wellicht omdat de rechters hem ook zouden kunnen vervolgen voor oude beschuldigingen van corruptie. Daarop heeft Sharif zijn ministers uit het kabinet teruggetrokken. Musharraf is dus niet alleen de man die de coalitie bindt, maar ook de man die hen verdeelt.

Tot op heden hebben de partijen geen concrete stappen gezet die Musharraf – over wie volgens een recente opiniepeiling 73 procent van de bevolking ontevreden is – tot aftreden kunnen dwingen. De president zelf zegt nog geen plannen in die richting te hebben. Afgelopen vrijdag, toen hij voor het eerst sinds de verkiezingen weer in het openbaar verscheen, waren zijn uitspraken even zelfverzekerd als ze in de acht jaar van zijn leiderschap waren. „Ik zou gisteren zijn afgetreden als dat de problemen van Pakistan had kunnen oplossen”, zei hij tegen zakenlieden in Karachi. „Maar we kunnen het terrorisme, het extremisme en de economische crisis niet aanpakken als er geen politieke stabiliteit is.”