Merde

Daar zat ik dan, op zaterdagmiddag, nog wat onwennig op de bank. De renners waren vertrokken voor de eerste etappe van de Tour de France. Drie uur lang turen naar het peloton, de kilometeraanduiding en het verglijdende landschap.

Er was een kopgroep weg zonder grote namen. Dan kun je denken – ach, B-garnituur, ik maak nog even een ommetje – maar ik ben zo vaak belazerd door onverwachte invallen van wielrenners, dat ik nu maar op mijn post bleef.

Ik verveelde me een beetje. Gaf niets. Verveling is veel waard. Tijd om te fantaseren, gedachten te ordenen, het bestaan te eiken.

Voor de Tourkijker is een saaie etappe een gratis en associatief reisje door Frankrijk. Het steeds van gedaante veranderende peloton werkte als een hypnotiserende clip. Van bovenaf gezien sneden de kleuren op de ruggen van de renners door de akkers.

Ik dacht terug aan mijn eerste fietstocht door Bretagne. Vriend Simon en ik waren zestien jaar. We vochten ons kapot op de glooiende weg, op dikke banden, terwijl het stalen frame van de rugzak bij iedere pedaalslag in mijn heup prikte. Uitgehongerd en doodop kwamen we aan op een camping in de buurt bij Saint-Malo. Op een gasje bakten we plakken Smak, of heette het Smack, in een koekenpannetje. Je zet het nog geen zieke hond voor, maar wij vonden het heerlijk.

Er was nog honderd kilometer te rijden voor het peloton, op weg naar Plumelec. Er gebeurde niet veel. Ik kon toch wel heel even weg van de televisie? Ik liep naar de koelkast voor iets lekkers. Naast het aangesneden pakje boter lag een geel-oranje flaconnetje met gel, vol met natrium en sodium. Om leeg te zuigen tijdens een fietstocht, vooral als je veel zweet en niet meer in staat bent om te kauwen.

Net toen ik een plakje wijncervelaat tot een sigaar draaide, hoorde ik in de voorkamer de commentator van dienst schreeuwen. Zie je, ik had niet weg moeten lopen. Nu was ik te laat. Er was iemand gevallen. Wie? Het wachten was op een naam, een rugnummer desnoods. Hervé Duclos-Lasalle. Hij had een etenszak in zijn wiel gekregen en smakte daarna tegen het asfalt.

Duclos-Lasalle stierf van de pijn. Met een kromme rug liep hij naar de berm. Zijn rechterhand ondersteunde zijn linkeronderarm. Gebroken. Ik wist het zeker. Zo hield je een arm vast met een botbreuk.

‘Merde!’ riep hij, vanwege de stekende pijn en het besef dat hij niet verder kon. De witte auto van de Tour stopte. Een arts pakte een plastic manchet en schoof die over de arm. De renner nam zijn zonnebril af met zijn goede hand en controleerde of er geen barsten in het glas zaten. Dacht hij eerst aan de sponsor en daarna pas aan zijn vriendin?

Terwijl een verzorger de wielrenner in zijn nek aaide, herinnerde ik me het veilige lijf van juffrouw Joosten. Ze troostte de elfjarige Wilfried de Jong nadat tijdens de gymles een stalen buis op zijn pols was gevallen. Ellepijp doormidden. Kleine Wilfried huilde. De eerste botbreuk in zijn leven. Het besef dat je niet van staal bent.

Waar je allemaal aan denkt als een wielrenner in de Tour zijn arm breekt.

Smak. Ellepijp. Woorden uit een andere eeuw.

De tijd vliegt. Merde.