Joodse vluchtelingen willen ook op de agenda

Palestijnse vluchtelingen komen steeds aan de orde in internationaal vredesoverleg. Een lobbygroep voor joodse vluchtelingen uit de Arabische wereld eist ook aandacht.

De Palestijnse vluchtelingen hebben concurrentie: joodse vluchtelingen uit Arabische landen eisen erkenning van hun zaak en „gerechtigheid”, inclusief Arabische financiële compensatie voor verloren bezittingen.

De lobbyorganisatie Justice for Jews from Arab Countries zet zich vanuit de Verenigde Staten en Groot-Brittannië en binnenkort ook Israël voor hun zaak in. Altijd wordt exclusief gesproken over het lijden van de Palestijnse vluchtelingen. Maar hebben er na de stichting van de staat Israël in 1948 niet méér joden uit hun huizen moeten vluchten – 856.000 tegen 726.000 Palestijnen, zo betoogt de organisatie? Hebben de Palestijnen het alleenrecht op lijden?

Een eerste succes was afgelopen april een resolutie in het Amerikaanse Congres die president George Bush oproept de zaak van de joodse vluchtelingen elke keer aan de orde te stellen wanneer de Palestijnse vluchtelingen in vredesonderhandelingen ter sprake komen. Meer dan 2.500 jaar hebben joden in het Midden-Oosten geleefd, zo meldt de resolutie, „meer dan 1.000 jaar voor de komst van de islam”.

„Gerechtigheid brengt verzoening en vrede”, onderstreepte vorige week Carole Basri, Amerikaanse juriste en documentairemaakster van Iraaks-joodse afkomst, op een bijeenkomst in het Europees Parlement in Brussel over de zaak van de Arabische joden. De bijeenkomst was georganiseerd door de Portugese socialistische Europarlementariër Paulo Casaca, zelf lid van de stuurgroep van de European Friends of Israel, een politieke lobby voor verdieping van de betrekkingen tussen de Europese Unie en Israël.

In de Arabische landen was na de stichting van de staat Israël sprake van etnische zuivering, aldus Basri. De autoriteiten verdreven hun joodse inwoners of zetten hen ertoe aan te vertrekken door hen gericht te vervolgen of door restrictieve wetten – gele identiteitskaarten voor joden in Irak, bijvoorbeeld. Basri: het internationaal recht definieert hen als vluchtelingen, en resolutie 242 van de VN-Veiligheidsraad (beschouwd als uitgangspunt voor een vredesregeling) eist een rechtvaardige regeling van het vluchtelingenprobleem. Van de miljoen joden die er oorspronkelijk leefden zijn er nu nog in de Arabische wereld 5.000 over. Overigens hebben zionistische groepen en later de Israëlische autoriteiten ook talrijke Arabische joden ertoe aangemoedigd eerst naar Palestina en vervolgens naar Israël te verhuizen, maar dat kwam in Brussel niet aan de orde.

Tijdens de conferentie bleef onduidelijk wat precies ‘gerechtigheid’ inhoudt. Maar in een telefonisch vraaggesprek legde Stanley Urman, directeur van Justice for Jews in New York, later uit dat gerechtigheid begint met „waarheid” over en „erkenning” van de problemen van de joodse vluchtelingen. Tot dusverre, zei hij, heeft de Arabische wereld nooit „de historische feiten erkend, toegegeven dat de Arabische regeringen de rechten van de joodse burgers hebben weggenomen”. Vervolgens, zei Urman, zouden er fondsen kunnen komen om joodse heilige plaatsen in Arabische landen te beschermen. En ten slotte kan er worden gedacht aan compensatie, „in vele vormen”.

Joodse vluchtelingen, die een toevluchtsoord hebben gevonden in de staat Israël en in het Westen, zijn moeilijk te vergelijken met de Palestijnse, van wie honderdduizenden zestig jaar na hun vlucht of verdrijving nog steeds in vluchtelingenkampen in de Arabische wereld en door Israël bezet gebied leven. „We proberen hen ook niet gelijk te stellen”, zei Urman. „Maar het is wel zo dat beide groepen vluchtelingen zijn.”

Waarom wordt de kwestie nu pas aan de orde gesteld? Volgens Urman wilden de joodse vluchtelingen er eerder niet over praten omdat ze hun leven weer wilden oppakken. „Maar nu het Israëlisch-Palestijnse vredesoverleg meer vaart krijgt, groeit de bezorgdheid dat één kant rechten krijgt terwijl het lijden van de andere groep wordt genegeerd. Daarom laten we onze stem nu horen. We willen dat onze rechten worden erkend.”