‘Europa is bang voor oneerlijke concurrentie’

Moet het rijke Westen opkomende economieën zoals China financieel steunen bij klimaatbeleid? VN-topman Yvo de Boer vindt van wel.

Natuurlijk bestaat er in Europa en vooral in de Verenigde Staten angst dat ontwikkelingslanden zoals China het rijke Westen zullen overvleugelen. Maar dat is geen reden om ontwikkelingslanden niet te helpen om ook aan klimaatbeleid te doen.

Aldus Yvo de Boer, het Nederlandse hoofd van het VN-klimaatbureau in Bonn. Als een handelsreiziger in klimaatbeleid legt hij over de hele wereld bezoeken af, om de grote klimaattop in Kopenhagen eind volgend jaar tot een succes te maken. Dáár moeten de wereldleiders mondiale afspraken maken om de uitstoot van broeikasgassen een halt toe te roepen en de opwarming van de aarde beheersbaar te houden. En afspraken over financiële steun zijn „cruciaal” om ‘Kopenhagen’ tot een succes te maken.

Een half jaar geleden hebben de klimaatonderhandelaars in Indonesië afgesproken dat ook ontwikkelingslanden iets tegen klimaatverandering gaan doen. Mits zij daarvoor geld en techniek krijgen van het rijke Westen. Maar hoe groot is de politieke wil om landen als China, Brazilië en India als arme landen te blijven beschouwen, als hun economieën zo duizelingwekkend sterk groeien? Yvo de Boer: „Politiek wordt China inderdaad over één kam geschoren met industrielanden, omdat het huidige emissieniveau van het land min of meer gelijk is aan dat van Amerika. Ik vind dat onterecht. Want wat dan gemakshalve wordt vergeten, is dat de emissies per persoon in China een fractie zijn van die in Europa en zeker in de Verenigde Staten.

„En wat ook gemakshalve wordt vergeten, is dat het fenomeen klimaatverandering zoals we dat nu kennen door rijke landen is veroorzaakt, en niet door arme landen. Maar feit is dat Europese bedrijven bang zijn voor oneerlijke concurrentie. Ze hebben geen zin om de Chinese concurrent te gaan subsidiëren zodat die nog beter kan concurreren.”

Onder welke condities het Westen bereid is de ontwikkelingslanden wellicht toch tegemoet te komen, probeert Yvo de Boer dezer dagen uit te vinden. Toen hij onlangs met een Amerikaanse senaatscommissie sprak, ontdekte hij wat in deze kringen nog net „politiek verteerbaar” is: niet zomaar China geld geven, maar wel een handelsverdrag om technologie te leveren voor schonere verwerking van steenkool zoals het afvangen van CO2 bij kolengestookte energiecentrales, een techniek die nu commercieel nog niet aantrekkelijk is.

Vorige week was Yvo de Boer op het ministerie van Financiën in Den Haag. Hij gaf er, op verzoek van Wouter Bos, een presentatie aan de minister en diens staf over de rol die Nederland kan spelen bij het opzetten van een „financiële architectuur” om ontwikkelingslanden te steunen. Yvo de Boer: „Iemand zal de discussie op gang moeten brengen. Nederland is een van de weinige landen die voldoen aan de verplichtingen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Nederland heeft een grote stem in het beleid van instellingen zoals de Wereldbank. Dus ik denk dat er naar een Nederlandse minister van Financiën wordt geluisterd, als die zijn Europese collega’s oproept om verantwoorde oplossingen te vinden.”

Eén oplossing lijkt voor het grijpen te liggen. In Europa wordt het systeem van emissiehandel binnenkort groots uitgebreid. De opbrengst van de veiling van deze emissierechten zou kunnen worden gebruikt om ontwikkelingslanden te helpen. Maar daar zijn de meeste Europese ministers van Financiën tegen, legt Yvo de Boer uit. De meeste ministers zijn tegen belastingen die met een bepaald doel worden geheven en vinden dat die moeten terugvloeien naar de algemene middelen, om vervolgens zelf te bepalen waar ze dat geld aan uitgeven. Yvo de Boer kaartte de kwestie enkele maanden geleden aan bij Wouter Bos, op een vergadering van de Wereldbank. „Ik heb hem gezegd: als jullie tegen doelheffingen zijn, hoe komt het geld dan wel op tafel?”

Het hoofd van het VN-klimaatbureau heeft het kabinet een aantal suggesties gedaan. „Om te beginnen zou je de bestaande gereedschapskist kunnen uitbouwen”, zegt Yvo de Boer. Dat wil zeggen: er zijn nu al veel mogelijkheden om ontwikkelingslanden te helpen, bijvoorbeeld via Clean Development Mechanism (CDM) waarbij landen hun klimaatdoelstellingen ook mogen halen door in het buitenland te investeren in emissiereducties. Er bestaat ook een adaptatiefonds, met geld waarmee ontwikkelingslanden zich kunnen aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Maar het kan nog verder gaan. Landen komen dezer dagen met allerlei plannen op de proppen. Zwitserland wil een internationale heffing op emissies. China oppert de oprichting van een technologiefonds, te vullen door rijkere landen. Verder zou het mondiale klimaatverdrag van Kopenhagen kunnen worden gebruikt om „extra waarde” te creëren. Bijvoorbeeld door emissiereducties in ontwikkelingslanden te laten certificeren, zodat ze verkoopbaar worden. „Zoals FSC-hout een toegevoegde waarde heeft, zo zou ook zo’n reductie extra waarde krijgen.” Bovendien kan ervoor worden gezorgd dat ontwikkelingslanden financiële steun en technologie krijgen buiten het klimaatverdrag om. Bijvoorbeeld, aldus Yvo de Boer, door de spelregels voor exportkredieten aan te passen, door meer zachte leningen te geven, en door export van milieutechnologie fiscaal aftrekbaar te maken.

De bijeenkomst bij Wouter Bos is „positief” verlopen. De minister heeft de VN-topman beloofd er de komende maanden op te studeren, en heeft zich bereid verklaard de discussie in Europa aan te zwengelen, in elk geval bij de bijeenkomst van Europese ministers van Financiën, in oktober.