Een kijkje in de sportieve omroepwereld

De sportcommentator Jacques Chapel zou eergisteren aan z’n negenentwintigste Tour de France zijn begonnen, volgende maand aan z’n vijfde Olympische Zomerspelen, en over anderhalf jaar misschien aan z’n zesde Winterspelen. Het heeft allemaal niet mogen wezen. Afgelopen vrijdag ging hij dood.

Verdrietig.

Ik heb ’m niet gekend, ik heb ’m ook zelden gehoord. Na Han Hollander heb ik nog maar weinig sportverslaggevers over de radio kunnen verdragen. In de dagen van Han Hollander was ik een jongetje, en dan wilde je wel heel hard meeroepen als Bep Bakhuys de bal had. Maar op een dag was dat over. Een sportverslaggever op de radio is iemand bij wie dat nooit overgaat, al wordt hij 62.

Ik las ergens hoe Jacques Chapel zijn vocale opwinding placht te verdedigen. ‘Luisteraars’, schijnt hij vaak gezegd te hebben, ‘willen via hun oren zien wat er gebeurt’.

De oude denkfout van radiomakers, die ook in dagen dat je tot op je mobiele telefoon alles kunt zien wat overal gebeurt, voor een gesprek met iemand die toevallig driehoog woont toch ook nog alle voetstappen op alle traptreden willen laten horen, alsmede het piepen van zijn voordeur. Er zijn zelfs televisiecommentatoren die nog altijd meeschreeuwen, ofschoon je thuis in alle ingetogenheid kunt zien hoe Wesley Sneijder het vierde doelpunt tegen Frankrijk scoorde.

Geen finish bij wielrennen en schaatsen, of Jacques Chapel schreeuwde verschrikkelijk. Aan z’n credo over de wijze waarop hij mijn oren kon laten kijken, had hij toentertijd ook nog toegevoegd: ‘Dat je daarbij soms bloemrijk tekeer gaat, ja dat vind ik juist het aardige van radioverslaggeving.’ Hij ging tekeer. Dat was precies de reden waarom ik de radio afzette als hij Renate Groenewold op de Olympische Spelen aan zilver wilde helpen. Dat is ook het grote voordeel van televisie boven radio: bij televisie mis je niets als je het geluid hebt uitgedaan.

Wat me opviel aan de manier waarop Jacques Chapel werd herdacht door de sportcollega’s van de publieke omroep was de volstrekte liefdeloosheid. Zodra het nieuws van de dood binnen was, belden ze bij de radio een ex-chef, die vrijwel in één adem vertelde dat Jacques een lastige man met gebruiksaanwijzing was geweest, dat hij beschikte over een beperkte woordenschat en dat compenseerde met opgewonden verslaggeving, en dat hij altijd weigerde z’n al te geëxalteerde toon een beetje te matigen.

Drie trappen na.

In beschaafde kringen houdt men zich gewoonlijk aan het voorschrift dat onder de antieken al werd nageleefd: de mortuis nil nisi bene – of de overledene moest wel een ongelooflijk grote rotzak zijn geweest. Maar voor beschaafde kringen moet je natuurlijk niet bij NOS Studio Sport wezen.

Nog smakelozer overigens dan zo’n smakeloze necroloog vond ik het eerbetoon dat men had gevonden in de herhaling van fragmenten uit Chapels markante reportages. Dat waren dus niet verstandige analyses, of rustige gesprekken die hij vermoedelijk ook wel heeft gevoerd – maar nogmaals: ik heb hem zelden gehoord – dat waren uitsluitend de hysterische uitbarstingen tijdens een spannende massasprint, of het luidkeelse gehuil over een verliezende schaatsfavoriet.

Je kunt van een dode pianist een paar maten Beethoven uitzenden. Je kunt van een voorbije dichter nog eens laten horen hoe hij een eigen vers voorlas. Je kunt een bokser zelfs nog een keer ‘I’ am the greatest’ laten zeggen. Maar je gaat niet tien of twaalf keer op radio én televisie een overleden Jacques Chapel laten schreeuwen op een manier waarvoor hij zich tegenover mededoden in het hiernamaals wellicht enigszins heeft moeten verontschuldigen.

De overlevenden van de journalistieke sportwereld hebben nu tot aan het einde van Peking de totale macht in onze arme ether. Probeer de krant.