Bevlogen stenenstapelaar

In twee kabinetten in de jaren zestig ging minister Bogaers de woningnood te lijf. Ook legde hij de basis voor enkele groeikernen.

Volkshuisvesting gold als volksvijand nummer één en daaraan een einde te maken was de grootste ambitie van Pieter Bogaers, minister in het kabinet-Marijnen (1963-1965) en het kabinet-Cals (1965-1966). Voor dat doel moest desnoods veel wijken, bijvoorbeeld uitgaven die andere ministers in gedachten hadden.

De zaterdag op 84-jarige leeftijd in Amersfoort overleden ‘bouwminister’ en econoom Bogaers was een bevlogen en ambitieus man, die respect genoot in de politiek en wie het tevens aan vijanden in dit milieu niet ontbrak.

Pieter Bogaers werd op 2 juli 1924 in het Brabantse Cuyk geboren in een katholiek gezin (vijf kinderen; zelf zou hij vader van acht kinderen worden). Hij werkte als assistent aan de Economische Hogeschool Tilburg en bij de Katholieke Arbeiders Beweging. Politiek actief werd hij voor de KVP, waarvoor hij van 1959 tot 1963 Tweede Kamerlid was.

In 1963 werd Bogaers minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid en kon hij zijn energie steken in wat in die jaren als een van de grootste problemen in Nederland werd beschouwd: de woningnood. Zowel in het centrum-rechtse kabinet-Marijnen als het centrum-linkse kabinet-Cals stapelde Bogaers stenen op elkaar. Hij voerde de bouwproductie op tot 100.000 woningen per jaar en introduceerde een type premiekoopwoningen die als ‘Bogaers-woningen’ bekend werden, hetgeen sommigen een uiting van ijdelheid vonden. Hij publiceerde in 1966 de Tweede Nota inzake de Ruimtelijke Ordening, waarin werd voorzien dat Nederland in 2000 20 miljoen inwoners zou tellen, het Groene Hart als term werd geïntroduceerd en de basis werd gelegd voor groeikernen als Purmerend en Zoetermeer.

Bogaers bemoeide zich ook wel met onderwerpen buiten zijn eigen terrein. Hij was een van de ministers die meenden dat het kabinet de VARA moest berispen wegens het satirische tv-programma Zo is het toevallig ook nog eens een keer. Het kwetsen van mensen in hun diepste overtuigingen „kan men niet afdoen met een verwijzing naar de vrijheid van meningsuiting”, meende Bogaers.

Voor de positie van de staatskas had hij minder oog. Terwijl PvdA-minister Vondeling (Financiën) in de Tweede Kamer op kritiek kon rekenen van de KVP-fractie over zijn rol als schatkistbewaker, had hij in het kabinet te kampen met KVP-ministers als Veldkamp (Sociale Zaken) en Bogaers die de uitgaven eerder wilden opvoeren. Op dit vraagstuk sneuvelde het kabinet-Cals in ‘de nacht van Schmelzer’. Bogaers bleef trouw aan zijn geestverwant Cals en weigerde over te stappen naar het kabinet-Zijlstra; tot opluchting van deze ARP-premier die hem als een „roofridder” beschouwde.

Bogaers vervreemdde van de KVP en weigerde in 1967 bij landelijke verkiezingen het lijsttrekkerschap in Noord-Brabant. Hij was een van de oprichters en kortstondig voorzitter van de PPR (voorloper van GroenLinks), bij welke partij een deel van de linkervleugel van de KVP zich aansloot. Het bleek een vergissing van Bogaers; de PPR werd hem te progressief. In 1973 keerde hij terug bij de KVP en later nam hij nog zitting in enkele CDA-commissies. Als voorzitter van het gewest Gooiland zette Bogaers nog enkele jaren zijn bestuurlijke carrière voort. Maar met zijn politieke loopbaan was het gedaan.