Vlinder schrikt rivalen af met geurstof

Vlindermannetjes van het groot koolwitje (Pieris brassicae) scheiden tijdens de paring een vieze geur af. Dit benzylcyanide maakt het bevruchte vrouwtje onaantrekkelijk voor andere mannetjes. Zo op het eerste gezicht hebben beide partners daar voordeel van. Het mannetje houdt zijn rivalen op afstand, terwijl het onwelriekende vrouwtje nu in alle rust een geschikte spruitkoolplant kan zoeken om haar eitjes af te zetten en de jonge rupsen te laten opgroeien. Maar aan het gebruik van zo’n afschrikwekkend parfum kleven ook bezwaren, schrijven Wageningse entomologen in het Amerikaanse wetenschappelijke tijdschrift PNAS (Proceedings of the National Academy of Sciences, deze week online). De geur trekt vijanden aan, die de vlindereitjes parasiteren. En dat betekent minder kans op nageslacht.

Al eerder (Nature, 2005) hadden de onderzoekers ontdekt dat vlindervrouwtjes die naar zo’n ‘anti-afrodisiacum’ ruiken, sluipwespen (Trichogramma brassicae) aantrekken, die op haar rug klimmen en meeliften naar de spruitkool waarop de eitjes worden afgezet. Maar er blijkt meer aan de hand te zijn. Onderzoekster Nina Fatouros en collega’s tonen nu aan dat bevruchte vlindervrouwtjes de geurstof zelf ook overbrengen op de spruitkool. De plant reageert op deze geurstof met bepaalde chemische verdedigingsreacties die ertoe leiden dat sluipwespen de plant gaan herkennen als een plant met vlindereitjes erop. Op zo’n plant blijven parasiterende sluipwespen langer naar vlindereieren zoeken. Ook op planten die experimenteel met benzylcyanide waren bespoten bleven de sluipwespen langer zoeken. Opmerkelijk is dat de plant zijn verdediging niet onmiddellijk in stelling brengt, maar pas als de vlindereitjes drie dagen oud zijn en juist in het meest geschikte stadium om geparasiteerd te worden. Met het ‘antiparfum’ brengt de vlindervader onbedoeld zijn eigen nakomelingen in gevaar. Marion de Boo