Verdreven eilanders willen terug naar hun paradijs

Veertig jaar geleden ont-ruimde Groot-Brittannië een deel van de Chagos-archipel om plaats te maken voor een Amerikaanse mili-taire basis. Mogen de gedeporteerden terug?

De Britse koloniale bestuurders leken zo toeschietelijk. Toen de 22-jarige Leonide Jaffar in 1968 een kind verwachtte, moedigden ze haar aan haar tropische eiland in de Indiase Oceaan te verlaten en haar baby in een goed ziekenhuis in Mauritius ter wereld te brengen. Jaffar hapte toe.

Maar toen ze enkele weken later met haar pas geboren kind naar huis wilde, kwam ze tot de onthutsende ontdekking dat dat niet meer mocht. „We kregen te horen dat onze eilanden waren verkocht aan de Britten in ruil voor de onafhankelijkheid van Mauritius”, vertelt Jaffar, 63 jaar oud inmiddels. Niemand mocht terug en ook de achterblijvers werden kort daarop verdreven van de eilanden, waar zij en hun voorouders al sinds de 18e eeuw in palmplantages hadden gewerkt.

Ruim veertig jaar later heeft Jaffar, een vriendelijke donkere vrouw met grijs haar, zich met enige tientallen andere voormalige eilandbewoners en hun kinderen en kleinkinderen voor het imposante parlementsgebouw in Londen geposteerd. Daar bogen de Law Lords, de hoogste rechterlijke instantie in het land, zich deze week over hun zaak. Eindelijk hopen ze alsnog permissie te krijgen om terug te keren. Ze willen een nieuw bestaan opbouwen op de eilanden met visserij en ecotoerisme, al zijn hun oude dorpen grotendeels overwoekerd en verwoest.

‘Terug naar ons paradijs’, staat er op een spandoek. ‘Iedereen heeft het recht om in zijn eigen land te wonen’, verkondigt een ander. ‘We zullen nooit opgeven’. „Hoewel we een Brits paspoort hebben, hebben we niet dezelfde rechten als Britse burgers”, zegt Jaffar. „Het wrange is dat asielzoekers in dit land veel meer steun krijgen dan wij.”

Jaffar en zo’n 2.000 andere eilandbewoners waren de pionnen die door de Britten in een van hun laatste koloniale deals werden geofferd. Mauritius mocht onafhankelijk worden maar moest de 2.000 kilometer verderop gelegen Chagos-archipel, tot dan deel uitmakend van Mauritius, afstaan aan de Britten.

Al gauw bleek dat ze tevens een overeenkomst hadden gesloten met de Amerikanen. Die wilden op Diego Garcia, een van de eilanden van de Chagos-archipel, een grote militaire basis vestigen. Op hun verzoek zorgden de Britten ervoor dat niet alleen de bewoners van Diego Garcia maar ook die van de omringende eilanden op de boot naar Mauritius werden gezet.

Zo brak voor Jaffar en de andere verdreven eilanders een treurig leven aan in een sloppenwijk in Port Louis, de hoofdstad van Mauritius. „We hadden helemaal niets”, herinnert Jaffar zich, „alleen maar een oude matras om op te slapen. We zaten met zijn zevenen in één kamer. Een van mijn zeven kinderen is er gestorven. Van de Britten kregen we destijds geen enkele hulp.”

De Britten volstonden met een bescheiden financiële compensatie, die via de autoriteiten in Mauritius aan de gedupeerden moest worden betaald. Velen zagen er weinig of niets van. Sommige voormalige bewoners zochten een toevlucht op de Seychellen, anderen trokken naar Europa. Velen kwijnden weg in Port Louis.

„Mijn ouders hadden het altijd over hun leven op Peros Banhos, het eiland waar ze vandaan kwamen”, zegt Jean Paul Selmour, in 1966 in Mauritius geboren. „Ik ga er van uit dat mijn vader van verdriet is gestorven op zijn 58-ste.’

Lange tijd zag de toekomst er tamelijk hopeloos uit voor de eilandbewoners. Zeker de helft van de verdrevenen is inmiddels overleden. Maar met hulp van een aantal Britten, onder wie juristen, begon het tij eind jaren negentig te keren.

Vooral de jurist Richard Gifford, die veel in Mauritius kwam, trok zich het lot van de eilanders aan. Zijn bemoeienis mondde uit in een reeks processen voor Britse rechtbanken. De juridische strijd richt zich vooral op de omringende eilanden. Ook de voormalige bewoners van Diego Garcia hebben zich er bij neergelegd dat ze door de militaire basis niet meer terug kunnen naar hun eiland.

Tot vreugde van de eilandbewoners oordeelde een rechtbank in 2000 dat hun verdrijving onrechtmatig was geweest. Nog groter werd hun blijdschap toen de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Robin Cook, zei niet in beroep te gaan tegen de uitspraak. Eindelijk leek de terugweg open.

Maar veel schot kwam er desondanks niet in. In 2004, Cook was inmiddels afgetreden, kondigde de regering op grond van haar ‘koninklijke privilege’ alsnog een besluit af dat de terugkeer van de eilandbewoners toch weer belette.

Twee jaar later diende de zaak weer bij een rechtbank. Deze omschreef het optreden van de autoriteiten jegens de eilandbewoners als „weerzinwekkend” en verklaarde het nieuwe Britse besluit ongeldig. Het ministerie van Buitenlandse Zaken ging in hoger beroep, maar verloor ook die zaak vorig jaar.

Maandag begon de zitting voor de hoogste beroepsinstantie, de Law Lords. Zelfs Jonathan Crow, de advocaat van Buitenlandse Zaken, erkende dat er „onmiskenbaar onaantrekkelijke aspecten” zaten aan het Britse optreden van de jaren zestig en zeventig. Maar dat was niet langer aan de orde, stelde hij. Volgens hem gaat het er louter om of de regering in 2004 het recht had de vroegere bewoners de toegang tot de eilanden te ontzeggen.

Een belangrijk punt voor de regering is volgens Crow verder dat de Amerikanen al hebben laten weten dat ze het uit veiligheidsoogpunt „onaanvaardbaar” vinden weer bewoners toe te laten op de eilanden rond Diego Garcia. Sinds de terroristische aanslagen van 11 september 2001 hebben de Amerikanen de basis onder meer gebruikt voor het vervoer van terreurverdachten zonder de Britten daarover in te lichten.

De eilandbewoners op hun beurt moeten het hebben van Sydney Kentridge, een bejaarde maar vooraanstaande Zuid-Afrikaanse advocaat die vroeger ook Nelson Mandela verdedigde. De Law Lords zullen binnen enkele weken hun oordeel vellen.

Buiten, bij de spandoeken, zegt de 31-jarige Louise Fursi, dochter van verdreven ouders, dat ze er naar snakt voet te zetten op Peros Banhos, dat ze alleen uit de verhalen kent. „Het klinkt als een paradijs. Ze waren nooit ziek, er was geen vervuiling, altijd vers eten.” Maar zou ze er ook willen wonen, nu bijna alles is overwoekerd? „Bezoeken zeker”, zegt ze, „maar wonen? Dat weet ik niet zeker.”

Heel anders ligt het voor Leonide Jaffar. Ze is in 2006 heel kort een dagje teruggeweest op haar geliefde Salomon, op een reis voor bewoners om even de graven van hun voorouders te bezoeken. „Het was erg verdrietig”, zegt ze. „Behalve de graven was er niets meer.” Maar ze wil toch terugkeren. „Het zou geweldig zijn als we daar weer met onze hele familie zouden leven. Ik hoop er te sterven.”