‘Tour en doping dreigden me te vermorzelen’

De 95ste editie van de Tour de France start vandaag. Oud-directeur Jean-Marie Leblanc blikt terug op veertig jaar Tourgeschiedenis. „Ik heb nooit gezegd dat de Tour een andere winnaar verdiende dan Armstrong.”

Tijdens de Tour de France van 1960 reed het peloton door het plaatsje Colombey-les-deux-Eglises. Daar had president Charles de Gaulle zijn buitenverblijf. De wielrenners stapten af om ‘de generaal’ te groeten. Iets vergelijkbaars overkwam Jean-Marie Leblanc die in 2006 afscheid nam als directeur van de Ronde van Frankrijk. Vorig jaar reden de renners in wandeltempo door het dorpje Fontaine-au-Bois, ten zuidoosten van het Noord-Franse Valenciennes. De woonplaats van Leblanc was speciaal opgenomen in het routeschema, als eresaluut voor de ‘nordiste’ (noorderling) die vanaf 1989 de Tour de France had geleid. Sommige renners groetten hem: David Millar, Fabian Cancellara, Tom Boonen. „Dat deed me goed”, zegt Leblanc tijdens een vraaggesprek bij hem thuis aan de vooravond van de nieuwe editie van de Ronde van Frankrijk.

Nadat de bezemwagen voorbij was, draaiden de toeschouwers zich om naar Leblanc en klapten ze voor de man voor wie de Tour door hun dorp was gereden. „Toen kwamen de tranen. Het was hun manier om bedankt te zeggen. Dat heeft me ontroerd. Mijn dorp, mijn streek, mijn mensen.”

Anderhalve week later nog zo’n memorabel moment. President Nicolas Sarkozy belde vanuit de Tour naar Leblanc, die thuis bij de tv zat. Sarkozy beleefde als gast van de nieuwe Tourdirecteur Christian Prudhomme het laatste deel van de Alpenetappe naar Briançon. „‘Jean-Marie, Nicolas hier’. Ik zeg ‘Bonjour, maar ik weet niet hoe ik u moet noemen, meneer de pre...’ ‘Ik ben niet van voornaam veranderd, zeg gewoon Nicolas’. Hij wilde me groeten vanuit de Tour en zei dat ik hem altijd kon komen opzoeken op het Elysée. Hij houdt echt van wielrennen. In 1998, na de Festina-affaire (waarbij Leblanc de ploeg van de Franse publiekslieveling Richard Virenque wegens structureel dopinggebruik uit de Tour zette, red.) had iedereen kritiek op de Tour. Hij niet. Hij was toen nog burgemeester, en had een kroniek in Le Figaro waarin hij het opnam voor de Tour. Hij was een van de weinigen. Dat ben ik nooit vergeten.”

Toen de Tour van 2007 in de Pyreneeën van het ene schandaal (bloeddoping Aleksandr Vinokoerov) in het andere (de verwijdering van geletruidrager Michael Rasmussen omdat hij gelogen had over zijn verblijfplaats voor de Tour waardoor hij dopingcontroles kon ontlopen), terechtkwam, overheerste schaamte bij Leblanc. „Ik ben nauwelijks nog buiten geweest, omdat ik bang was dat de mensen zouden zeggen: ‘Jean-Marie, alweer doping, alweer de Tour’. Ik was erg ongelukkig.” Hij beschrijft die scène ook in zijn vorig jaar verschenen memoires, Le Tour de ma vie, sinds kort in de Nederlandse vertaling verkrijgbaar, De waarheid van de Tourbaas.

De affaires van vorig jaar, met name de niet eerder vertoonde verwijdering uit de Tour van de geletruidrager, beschouwt Leblanc als een zwartere bladzijde in de geschiedenis van het evenement dan het Festina-schandaal in 1998.

Een jaar geleden was Leblanc in Londen bij de start van de Tour, op uitnodiging van de burgemeester. „Met vrouw en kleinzoon met de Eurostar voor twee dagen naar Londen. Kom ik Theo de Rooij (toen directeur van de Rabobankploeg, red.) tegen. Theo is een oude vriend, die ik graag mag. Ik sla hem op de schouder en vraag hoe het met hem gaat. Bonjour Theo, tu vas bien? Het viel me op dat hij met moeite antwoord gaf. Het was duidelijk dat hij een probleem had. En hij praatte niet tegen me zoals hij dat anders deed. Later die Tour (toen Rasmussen door De Rooij naar huis werd gestuurd) begreep ik waarom. Volgens mij wist Theo al dat Rasmussen gelogen had en helaas heeft hij toen niet de moed gehad om te zeggen: jij gaat niet van start.” In een vraaggesprek met deze krant eind vorig jaar zei De Rooij dat hij „met de kennis van nu de zaak anders had moeten inschatten”.

De overlijdensadvertentie voor de Tour de France die de krant Libération op de voorpagina afdrukte, moet Leblanc pijn hebben gedaan. Bits: „Die krant lees ik niet.”

Het is een warme zomermiddag in juni, Leblanc is net bij zijn 86-jarige moeder geweest, om de krant op te halen waar hij in de jaren zestig in Lille zijn journalistieke carrière begon, La Voix du Nord. Dat was zijn opstapje naar L’Equipe, in Parijs, en naar de directie van de Société du Tour de France: de sportkrant en ’s werelds grootste wielerevenement zijn van dezelfde eigenaar, Amaury Sport Organisation (ASO).

De moeder van Leblanc woont een kilometer verderop, in de boerderij waar hij opgroeide met zijn twee jongere broers. Het boerengezin hield melkkoeien en vader handelde in vee. Vaak ging Leblanc met hem mee, in de veewagen. Van zijn in 1995 overleden vader kreeg hij de liefde voor het wielrennen mee. Als beroepsrenner debuteerde Leblanc in 1967, 22 jaar oud, bij een ploeg die werd gesponsord door een bierbrouwer uit Lille, Pelforth. Een jaar later, en in 1970, reed hij de Tour. Leblanc besefte dat hij nooit een kampioen zou worden en koos in 1971 voor de sportjournalistiek.

Bijna veertig jaar maakte hij deel uit van de Tour. Als renner, journalist en directeur. Op de voorlaatste dag van de Tour van 2006 kreeg hij een gele trui met de handtekening van alle renners, uit handen van geletruidrager Floyd Landis. De Amerikaan werd een dag later gekroond als opvolger van zijn landgenoot Lance Armstrong.

Er verschijnt een veelzeggende blik op het gezicht van Leblanc als de naam van Landis valt. Een paar dagen na die Tour werd bekend dat Landis positief was bevonden op het gebruik van (niet-lichaamseigen) testosteron. Leblanc had gedacht dat hij en de Tour met de affaire-Festina van 1998 een dieptepunt hadden bereikt, maar met de zaak-Landis, die zijn Tourzege ontnomen werd, was er het zoveelste dopingschandaal. In de tussenliggende periode waren er de verdachtmakingen van doping aan het adres van zevenvoudig Tourwinnaar Lance Armstrong (1999-2005), en de dood door een overdosis cocaïne van de Italiaan Marco Pantani (2004), die de ‘Tour de Dopage’ van 1998 had gewonnen. „Ik voelde dat het tijd was om te stoppen. Ik wilde niet dat het wielrennen, de Tour de France en doping me zouden vermorzelen. Daar ben ik wel bang voor geweest. Het was me allemaal te veel geworden.”

Nog steeds heeft hij een dubbel gevoel over de successen van Armstrong. Op die voorlaatste dag in zijn laatste Tour, in 2006, had Leblanc nog een ontmoeting met de Texaan. Kort na diens laatste deelname, in 2005, bracht L’Equipe het nieuws dat het dopinglaboratorium bij Parijs in urine van Armstrong uit 1999, het jaar waarin hij zijn eerste Tour won, sporen van het bloeddopingmiddel epo had aangetroffen.

Leblanc trof Armstrong in de teambus van Discovery Channel. „Een Amerikaanse journalist had geschreven dat ik gezegd had dat de Tour een andere winnaar verdiende dan Armstrong. Dat heb ik nooit gezegd. Armstrong antwoordde toen dat de Tour een andere directeur verdiende dan Leblanc. Na zeven jaar konden we niet met zo’n meningsverschil uit elkaar gaan. Ik zei: ‘Lance, ik heb geen kritiek op je geleverd. Ik heb gezegd dat ik vertrouwen heb in het laboratorium. Als zij ons zeggen dat er in 1999 epo zat in het bloed van Lance Armstrong, dan geloof ik dat. En jij hebt geen objectieve verklaring gegeven over de aanwezigheid van epo. Je hebt alleen maar gezegd dat er van die laboratoriumresultaten niks deugt’. Ik heb hem dus gezegd dat ik in verwarring was. Inhoudelijk ging hij er echter niet op in. Hij verwees naar een rapport waarin hij werd vrijgepleit, maar dat ging alleen over de gevolgde procedures, dat was een farce.”

Het wederzijds respect is gebleven. „En dat heeft me hier veel kritiek opgeleverd. Dat ik niet mee huilde met de wolven in het bos. Want in Frankrijk is Armstrong voor 90 procent van de journalisten en het publiek een bedrieger.” Ook binnen ASO, het bedrijf dat eigenaar is van de Tour? „Zeker.”

Voor de Tourbazen is Armstrong geen held meer. „Nee, jammer. Even terug in de tijd. Voor hij (in 1996) kanker kreeg, was hij al een kampioen. Vervolgens kwam hij terug. Artsen zeggen dat je dan dezelfde persoon niet meer bent, als je de strijd tegen kanker gewonnen hebt. Dan ben je sterker, lichamelijk en in je hoofd. Vervolgens wint hij de Tour zeven keer. Genoeg geruchten – twijfelachtige getuigenissen, maar ook sommige die wat serieuzer zijn. Nou ken ik het wielrennen een beetje. En zeven keer achter elkaar, zeven keer 23 dagen, dat is niet niks. Daar moet ik respect voor hebben. Ik heb ook gelezen en soms gezien hoeveel werk Armstrong verzette, hoe scherp hij aan de start verscheen, omdat hij in de aanloop niks anders had gedaan dan cols beklimmen, cols beklimmen en nog eens cols beklimmen. Hij was maniakaal bezig met zijn voeding, met zijn materiaal, met alles. Dus hij was een groot professional. En dat hij niet geliefd is bij het Franse publiek, dat klopt. Daar heeft hij ook niet z’n best voor gedaan. Hij was een beetje arrogant, bijvoorbeeld door altijd op het laatste moment aan de start te verschijnen. En dan kwamen in de laatste week van de Tour steeds de Amerikaanse sterren – vrienden van hem – om de overwinning te vieren. Dat heeft me ook een beetje gestoord. De Tour en de toeschouwers hadden graag een warmere persoonlijkheid gezien.”

Anti-Amerikanisme is Leblanc desondanks vreemd. „Om historische redenen. Wij kunnen hier nu over wielrennen praten, omdat er meer dan zestig jaar geleden jongens van twintig waren die niks van Frankrijk wisten, maar er toch naartoe moesten. En dat ook deden (bijna twee maanden voordat hij geboren werd, red.). Het water in, met een geweer op hun rug en de kliffen op. En vaak moesten ze het met de dood bekopen. Daar ben ik de Amerikanen zeer erkentelijk voor. Ik vermoed dat alle Fransen van mijn leeftijd er zo over denken.”

Tijdens het vraaggesprek in de serre van zijn woning – met een professionele biertap – wordt Leblanc regelmatig afgeleid door vogels in zijn tuin. „Kijk, daar! Gisteren zat er zelfs een egel.” De stress van het organiseren van de Tour en het jachtige leven in Parijs hebben plaatsgemaakt voor rust. „Ik ben bijna 64 en dit jaar houd ik voor het eerst zelf een tuin bij!” Trots is hij vooral op zijn eigen aardappels. „Ik heb het hier geweldig naar m’n zin en voel me verbonden met dit gebied. De vogels, het landschap, de geuren en de omgang met eenvoudige mensen – boeren, arbeiders. Ik vind hier veel meer wat me interesseert dan in de stad, en dat zijn alledaagse dingen. Parijs, dat was de périphérique, verkeersopstoppingen, afspraken: altijd stress.”

In zijn laatste jaren als Tourdirecteur ging Leblanc gebukt onder wat hij ‘de mediamachine’ noemt. „Steeds meer landen waar de Tour uitgezonden werd, dus meer verzoeken en aanvragen van journalisten en tv – de machine hield niet meer op. En als directeur van de Tour moet je tegen iedereen ‘ja’ zeggen. Toen ik in 1989 mijn eerste Tour deed als directeur, had je vooral journalisten uit Frankrijk, België, Italië, Spanje en Nederland: landen met een wielertraditie. Maar toen kwamen journalisten uit landen waar ze de sport niet goed kennen. Die moesten een beetje opgevoed worden, en dat was vermoeiend. De Duitsers bijvoorbeeld, die na het succes van Jan Ullrich massaal naar de Tour kwamen; buitengewoon nieuwsgierig en vilein.” Een diepe zucht. „Ik moest alles uitleggen. Als ik voor de start van een etappe met een Duitse journalist had gesproken, was ik opgebrand. Ze konden ook geen maat houden. Toen de Duitse tv in de Tour op een gegeven moment meer auto’s, vrachtwagens, studio’s en commentatoren had dan de Franse tv, dacht ik, ze zijn gek geworden. En toen Ullrich er niet meer was, waren ze opeens weer weg. Stupide!”

De wielersport verkeert in een ernstige crisis. Het doet Leblanc pijn dat het conflict tussen de organisatie van de Tour en de internationale wielerunie (UCI) is verworden tot een oorlog. Kern van het conflict is de vraag wie mag bepalen welke ploegen in de belangrijkste koersen mogen rijden: de UCI, met zijn wedstrijdenreeks ProTour, of de wedstrijdorganisatoren. Door de ruzie ontbreken dit jaar ook UCI-officials in de Tour, zoals commissarissen en juryleden. De Fransen doen nu alles zelf. „En dat slaat nergens op.”

De kiem voor die strijd werd volgens Leblanc gelegd door Hein Verbruggen, de Nederlander die van 1984 tot in 2005 voorzitter was van de UCI. Hij was de grondlegger van de ProTour, die in 2005 begon en de wielerwereld tot de dag van vandaag verdeelt. „Ik kon het altijd goed vinden met Verbruggen, maar tussen hem en onze voorzitter Patrice Clerc (van de Amaury Sport Organisation, het bedrijf dat eigenaar is van de Tour, red.) was er een animositeit die overging in haat. Verbruggen had te veel haast met de invoering van zijn ProTour, was overtuigd van zijn gelijk en luisterde niet naar anderen. Hij zat in zijn trip. Onze advocaten zeiden: ‘Verbruggen wil jullie laten betalen voor de exploitatie van iets wat al jullie eigendom is.’ Die smeerlap wil ons geld afpakken. Dat was de houding bij m’n bazen.”

Leblanc wilde wel een verzoenende rol spelen, maar kon dat feitelijk niet. „Binnen onze groep ben ik lange tijd doorgegaan voor de man die het voor Verbruggen opnam, en nog steeds. Uiteindelijk is me ook verzocht niet langer voorzitter te zijn van de vereniging van wedstrijdorganisatoren. Ik kreeg te horen, ‘Jean-Marie, je staat te dicht bij Verbruggen en het is beter dat je ons niet meer vertegenwoordigt’.”

Leblanc hoopte dat de nieuwe UCI-voorzitter, Pat McQuaid, stappen in de richting van een vredesakkoord zou zetten. „Mais non, non, non, non.” De wieleroorlog werd juist heviger. „Ik heb het boek dichtgeslagen, maar het doet me verdriet voor het wielrennen. Gelukkig is het publiek er nog helemaal gek van. Ik hoop dat het nog een keer goed komt. Maar hoe? Ik weet het niet.”

Saillant is dat Verbruggen bijna de baas van de Tour was geweest. „In ’88 wisten we niet wie Tourdirecteur moest worden. Ik heb toen Jean-Pierre Courcol (dat jaar interim-Tourdirecteur) gesuggereerd Verbruggen te vragen. Hij zou hem bellen. Een paar weken later kwam ik Verbruggen tegen, en hij zei, ‘Bedankt dat je aan me hebt gedacht, maar ik vind dat je voor de Tour een Fransman moet hebben’. Toen werd ik het.” Lachend: „Ik zie de kop boven je verhaal al voor me: ‘Verbruggen al twintig jaar geen Tourdirecteur’.”

Na het interview toont hij zijn twee ezels („mijn meisjes”) in de wei achter het huis en gaat hij voor naar zijn werkkamer. Voor zijn bureau een standaard met een partituur. Hij pakt zijn klarinet en speelt twee stukjes uit de Symfonie opus 12 nummer 1 die Mozart schreef voor klarinet en orkest. Een paar dagen later gaat een lang gekoesterde droom in vervulling, als hij optreedt met het Philharmonisch Orkest van Luik.

Leblanc volgt de Tour weer grotendeels voor de tv. „Maar als ik ergens een afspraak heb, gaat die voor.” Eén etappe beleeft hij van dichtbij, op Alpe d’Huez. „Niet in een auto. Dat heb ik vaak genoeg gedaan. Altijd met stress, over mogelijke ongelukken, vooral rond de klimtijdrit in 2004 van Armstrong (die met de dood was bedreigd, red.). Ik wil nu het feest eens een keer meemaken. Ik logeer bij vrienden op de berg. Op de dag van de wedstrijd ga ik ’s morgens met een vriend een paar kilometer naar beneden, te voet, en dan zoeken we een plek in het publiek en dan ga ik iets voorbij zien komen wat ik daar nooit eerder zo heb gezien: alle wagens uit de reclamekaravaan, de volgers, de koers. De Tour, gewoon als toeschouwer.”

Kijk voor meer foto’s van Leblanc en informatie over de Tour op nrc.nl/tour