Rampje van 1 op 3,3

Bij de recente brand van het Bouwkunde-gebouw in Delft bleef wonder boven wonder de beroemde stoelencollectie behouden. Wel ging het kleinste museum van Nederland verloren: dat van de continue lijn. „We noemden het Frankie.”

Achteraf valt de ramp mee. Dat het gebouw van de faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit in Delft op 13 mei door brand werd verwoest en moest worden gesloopt, vonden eigenlijk alleen de (ex-)gebruikers en enkele architectuurhistorici een groot verlies. En wat de inhoud betreft, had de brand minder gevolgen dan aanvankelijk werd gevreesd. De collectie stoelen, van onder anderen H.P. Berlage en Gerrit Rietveld, die volgens de eerste berichten over de brand deels verloren was gegaan, bleek in haar geheel te zijn gered. Hetzelfde geldt voor de bibliotheek, met onder meer eeuwenoude uitgaven van Vitruvius’ Tien Boeken over Architectuur. De schade aan de boeken is niet onherstelbaar.

Maar wel ging het bijzonderste museum van Nederland in vlammen op: het Museum van de continue lijn. „Dit museum bevond zich op de vijfde verdieping van het Bouwkunde-gebouw en daar is alles verbrand”, legt docent architectuurgeschiedenis aan de faculteit bouwkunde Otakar Mácel uit. „Ik ben trouwens mijn archief kwijtgeraakt.”

Begin jaren tachtig richtten Mácel en de twee jaar geleden overleden kunsthistoricus Jan van Geest het Museum van de continue lijn op. Misschien was het niet het kleinste museum van Nederland, zegt hij. „Maar het was zeker het kleinste museum met twee directeuren.”

Het museum bestond uit een houten kast met vakjes waarin kleine modellen van 1:3,3 van stalen-buismeubelen stonden, plus fotootjes van de originele stoelen en informatie over de ontwerpen. Het museum was te huur, voor ten minste 30 dagen en tegen afname van 50 catalogi. „Het museum is een paar keer verhuurd aan bedrijven en organisatoren van congressen”, vertelt Mácel. „In 1987 ging het museum zelfs naar het Pacific Design Center in Hollywood. Je had toen een popgroep die Frankie Goes To Hollywood heette. Sindsdien heet\te het Museum voor de continue lijn bij mij thuis ‘Frankie’.”

Inspiratiebron voor het Museum van de continue lijn was De doos in een koffer van de Franse kunstenaar Marchel Duchamp uit 1935-1941. Dit kunstwerk bestaat uit een leren koffer met daarin een houten doos waarin Duchamp al zijn eerdere werken in miniatuurversies had gestopt. „We hadden in 1980 de tentoonstelling Stühle aus stahl gemaakt en kregen steeds meer materiaal over stalen-buizenstoelen”, legt Mácel uit over het ontstaan van het Museum van de continue lijn. „Toen een tentoonstelling van ons over buismeubelen in het Victoria and Albert Museum in Londen niet doorging, wilden we er toch iets mee doen. Jan van Geest kwam toen op het idee om er een soort Duchamp-museum van te maken.”

Lang niet alle van de vele honderden buisstoelen die in de jaren twintig en dertig zijn ontworpen (zie inzet) vonden een plaats in het museum. De eerste voorwaarde voor opname was dat de buis van de stoel één doorgaande lijn vormde. „En van de continue-lijnstoelen namen we vervolgens de belangrijkste en origineelste”, zegt Mácel. „We hebben vier soorten onderscheiden: stoelen die bestaan uit één gesloten lijn, of uit één ‘open’ lijn, dat wil zeggen met een begin- en eindpunt. Of uit twee gesloten lijnen en ten slotte stoelen van één gesloten en één ‘open’ lijn. Als je ze chronologisch ordent, zie je dat ze in de loop van de jaren steeds ingewikkelder werden. Voor de stoel van de Oostenrijkse architect Ernst A. Plischke uit 1930 is ongeveer tien meter buis nodig. Terwijl voor de eerste achterpootloze stoel van Mart Stam uit 1926 een meter of drie voldoende was.”

Alle stoelen hebben Van Geest en Mácel laten meten en vervolgens op rasterpapier laten tekenen, zodat een edelsmid ze precies op schaal kon maken. Van sommige modellen, zoals de stoel van Plischke, hadden Mácel en Van Geest alleen een zwart-wit fotootje, en bleef het bij het meten een beetje gokken. „De modellen waren gemaakt van vernikkelde messing buisjes met een doorsnee van vijf millimeter”, zegt Mácel. „We hebben ze laten zandstralen, omdat blinkende buisjes dunner lijken en de verhoudingen dan voor het oog niet meer kloppen. De modellen bestonden alleen uit buizen. Dit maakte beter de essentie van de ontwerpen duidelijk, vonden Mácel en Van Geest. „De belangrijkste ontwerpbeslissing bij stalen-buizenstoelen is toch de vorm van de buizen”, zegt Mácel. „Die zag je in de modellen beter dan bij de echte stoelen, met zittingen en leuningen. Bovendien wilden we niet dat de modellen een soort poppenhuismeubeltjes werden, zoals de miniatuuruitvoeringen van beroemde stoelen van meubelfabrikant Vitra.”

Dat Mácel nu het Museum van de continue lijn en bijna zijn hele archief kwijt is, betreurt hij uiteraard. Toch is hij tamelijk laconiek over het verlies. „Misschien is het wel erger als je slechts de helft verliest”, zegt hij. „Dan ontdek je in de loop der jaren steeds weer nieuwe dingen die weg zijn. Daar heb ik nu geen last van. ”