Oost-Jeruzalem verdeeld na shovelincident

In Jeruzalem staat de relatie tussen joden en Palestijnen door het shovelincident weer op scherp. Israëliërs zinnen op maatregelen, de Palestijnen likken hun oude wonden.

Het ‘gevaar van binnenuit’, zo heten de inwoners van Oost-Jeruzalem sinds woensdag, toen een Palestijn met een shovel drie mensen dood reed, in de Israëlische kranten en talkshows. Jaz Yawar, de oude ijsverkoper van winkelstraat Salah Al Din, in Oost-Jeruzalem, heeft een bang vermoeden hoe het gaat aflopen. Uit zijn borstzak haalt hij zijn blauwe identiteitsbewijs. Daarmee mag hij door Israël reizen, hoewel hij geen Israëlisch paspoort heeft. „Dit kan ik straks wel weggooien. Binnenkort komt Israël met reisbeperkingen voor Palestijnen, heb ik gehoord. Wij worden collectief gestraft voor de daden van een eenling.”

Zwakke plek in Israëls ijzeren muur, of een achtergesteld gebied van een gediscrimineerde bevolkingsgroep. De ongemakkelijke status van Oost-Jeruzalem is weer het gesprek van de dag in Israël na de dodemansrit van de dertigjarige Hussam Dwayat op de drukke Jaffa Road. Een bus en verschillende auto’s en voetgangers werden geraakt. En naast de drie doden raakten tientallen mensen gewond voordat Dwayat door een agent werd doodgeschoten.

Over de oorzaak van Dwayats actie wordt alleen gespeculeerd. Israëlische kranten schrijven dat hij „Allah is groot” zou hebben geschreeuwd. Premier Ehud Olmert en president Shimon Peres noemden het een terreurdaad. Palestijnen in Oost-Jeruzalem zeggen dat Dwayat uit heel andere motieven zou hebben gehandeld. Hij was buiten zichzelf geraakt, zeggen ze. Hij was zijn baan als bouwvakker kwijtgeraakt en zat in geldnood. Dwayat had onlangs een boete gekregen, omdat hij zijn huis illegaal zou hebben gebouwd. Inwoners van Arabisch Oost-Jeruzalem krijgen vrijwel nooit toestemming van de overheid om een huis te bouwen of uit te breiden.

Voor Israël is het Arabische deel sinds 1967 onlosmakelijk verbonden aan de stad. Maar Oost-Jeruzalem is ook „Israëls zwakke plek”, zoals commentator Calev Ben David deze week schreef in The Jerusalem Post. Honderdduizenden Palestijnen wonen immers aan de Israëlische zijde van de muur die Israël en de Westelijke Jordaanoever scheidt.

De Israëlische regering zint sinds woensdag op maatregelen. Premier Olmert denkt aan het verwoesten van het huis van de familie van Dwayat. Deze methode werd tijdens de tweede Intifadah, die tot 2005 duurde, vaak gebruikt, maar is later afgeschaft omdat die niet preventief werkt.

Minister Haim Ramon had het over een hek dat om Oost-Jeruzalem gebouwd kon worden. Ook suggereerde hij een aantal wijken van de stad af te stoten, wat ook demografisch niet slecht zou uitkomen. Palestijnen nemen in aantal toe, terwijl veel joden de gespannen stad verlaten. Van de bijna 725.000 inwoners van Jeruzalem is nu ongeveer 65 procent joods. Dat percentage neemt ieder jaar met ongeveer een procentpunt af.

„De Israëliërs zijn bang voor ons. Ze komen nooit meer in het oosten van de stad”, zegt Basim Akro, juwelier in Oost-Jeruzalem. Akro voelt zich, zoals zoveel Palestijnen in Jeruzalem, behandeld als een tweederangs burger. „We horen bij niemand”, zegt hij. „We waren van de Turken, van de Britten, de Jordaniërs, vandaag zijn we van de Israëliërs.”

De inwoners van Oost-Jeruzalem zijn min of meer stateloos, vrijwel niemand heeft een Israëlisch paspoort. Ze betalen evenveel belasting, maar krijgen er veel minder voor terug dan de inwoners van West-Jeruzalem. In het oosten zijn de straten verwaarloosd, nergens zijn parken en vuilnis wordt zelden opgehaald. Het steekt schril af tegen het welvarende en aangeharkte West-Jeruzalem. „Een woestijn en een paradijs, verenigd in één stad”, zegt geograaf Khalil Tofakji. „Kijk om je heen, naar het vuil en de vervallen straten: alsof je teruggaat naar de ijzertijd.”

De 71-jarige juwelier Akro herinnert zich de gouden tijden voor de Palestijnen van Jeruzalem, in de eerste helft van de vorige eeuw. Zijn vader leverde in die tijd nog juwelen aan de Jordaanse koning Hoessein, samen gingen ze die naar Amman brengen. Akro komt nu nauwelijks de stad nog uit. De zaak van zijn vader stond precies in de straat waar Dwayat woensdag met zijn shovel tekeer ging. „Maar zoals alle Arabische winkels in die buurt is ook zijn zaak in 1948, tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog, ingepikt door de Israëliërs. We zijn verjaagd en worden sindsdien vernederd.”

De aanval van woensdag zal Oost-Jeruzalem niet afzonderen van het westelijke deel van de stad, zei de Israëlische minister van Veiligheid Avi Dichter. „Eenderde van de inwoners is Arabisch, maar de hele stad is Israëlisch.” Jeruzalem is volgens de Israëlische regering de eeuwige en ondeelbare hoofdstad van de joodse staat. Maar als de regering-Olmert besluit tot het bouwen van hekken, controleposten of zelfs een muur om het oosten van de stad, Dan bedreigt het ene doel (veiligheid) het andere (de ondeelbare hoofdstad).

IJsverkoper Jaz Yawar ziet het somber in voor zijn stad. Oost-Jeruzalem is geïsoleerd en verarmd, zegt hij. „We worden weggepest, iedere dag meer. Ze mogen huizen gaan slopen, of ons op andere manieren straffen. Maar ik ga niet weg, al laten ze me de stenen van de Oude Stad opeten.”