NOORD-IERLAND NA EEN JAAR VREDE

In Noord-Ierland is het nu officieel ruim een jaar vrede. De Noord-Ieren hebben een eigen parlement waarin voormalige vijanden, protestanten en katholieken, samen regeren. Op 12 juli is het hoogtepunt van het seizoen van de omstreden protestantse Oranje marsen. Reden voor Hieke Jippes om uit te zoeken hoe stevig de Noord-Ierse vrede is.

Zondagmorgen elf uur in Ballymena. Kerktijd in het hart van de Biblebelt van Noord-Ierland. Honderden kerkgangers stromen deze vroege voorjaarsochtend de wijd openstaande deuren binnen van de Free Presbyterian Church, de kerk van dominee-politicus doctor Ian Paisley zelf. De mannen hebben kortgeknipte haren en donkere pakken, de vrouwen dragen zedige, ver onder de knie reikende pastelkleurige completjes en allemaal een hoed. En natuurlijk géén make-up.

‘You are véry welcome here!’ zegt een kerkbestuurder tegen de bezoekster uit Nederland, die voor aanvang van de dienst formeel aan hem wordt voorgesteld. Later in de kerkbanken is er die zelfde zuigkracht uit de gemeenschap. De vrouwen pakken je hand en houden die dicht tegen zich aan: ‘You are véry welcome in Ballymena.’ En tijdens de dienst helpen ze je met hun gezangenboeken en hun geannoteerde bijbels om bij de les te blijven. De dominee bidt: ‘Lord, dit hier in uw kerk zijn bescheiden, ingetogen en op God gerichte mensen. Deze mensen máken uw kerk, o Lord!’

Deze mensen maken niet alleen de Free Presbyterian Church, ze maken ook de rechtlijnige Democratic Unionist Party (DUP), de andere creatie van dominee Paisley, waarin ‘de Doc’ ruim dertig jaar ‘No surrender!’ preekte. Geen overgave: niet aan de Republiek Ierland, niet aan de Rooms-Katholieke Kerk en zeker niet aan de nationalisten die het eiland Ierland als één staat wensen te zien, en niet als een eiland waarvan het noorden hoort bij het Verenigd Koninkrijk.

De verrader

Lisa Bothergone, een opgewekte 50-jarige, die me vanochtend naar haar kerk heeft meegenomen, was van het prille begin al een van de trouwste volgelingen van Paisley. Haar hele sociale leven draaide om zijn kerk en zijn partij. Toen ze nog een tiener was, kwam ze al bij hem over de vloer. Nu staat in haar smetteloze zitkamer op een bijzettafeltje een foto van de Doc met haar kinderen tegen zijn knie geleund. Maar in de hal trekt ze de la van het handschoenenkastje open en daarin liggen, nog in hun lijst en met de afbeelding naar beneden, de foto’s van Ian Paisley die vroeger ook in de zitkamer stonden.‘Hier’, zegt ze, ‘je mag ze hebben. Je mag ze houden ook. Ik kan er niet meer naar kijken. Op de DUP zal ik nooit meer stemmen. En de Doc? Die man heeft ons zó verraden. Die wil ik nooit meer zien.’

Zelfbestuur

Stormont, het parlementsgebouw even buiten Belfast, is met zijn wit-classicistische façade en zijn verheven ligging, een onmiskenbaar symbool van macht. Hier zetelt sinds mei 2007 het zelfbestuur van Noord-Ierland, de Northern Ireland Assembly, na tien jaar onderling getouwtrek tussen nationalisten en unionisten over de invulling van het Goede Vrijdag Akkoord (1998) en na drie langdurige opschortingen van de assemblee door Londen. First minister, premier, was tot 1 juni ‘Doctor No’, de 82-jarige Ian Paisley Sr. (DUP), net opgevolgd door door zijn eeuwige tweede man, de kille technocraat Peter Robinson.

Deputy First Minister, vice-premier, is voormalig IRA-commandant Martin McGuinness van de nationalistische politieke partij Sinn Fein. Twee mannen die elkaar tot een jaar geleden in het openbaar nog geen hand gaven en die nu volgens de regels voor dit regeermodel als een Siamese tweeling moeten opereren: geen van de twee kan iets doordrijven wat de ander niet wil. Sinds de IRA, het Ierse Republikeinse Leger, zijn wapens buiten gebruik stelde en Paisley miraculeus overstag ging, lijkt de tweeling Paisley-McGuinness getransformeerd tot een politiek duo dat het ogenschijnlijk zo goed met elkaar kan vinden, dat niemand het helemaal kan geloven. Sinds de twee in het begin van dit jaar schaterlachend en elkaar op de rug slaand werden gefotografeerd bij de opening van Ierlands eerste IKEA – een machtig teken van normalisering in de provincie – heten ze ‘the Chuckle Brothers’ (de Gebroeders Giechel).

Het is een benaming waarachter veel schuil gaat. Bij de meeste unionisten vooral walging. Kort samengevat: als Paisley – en de hardline DUP, op wie de meeste unionisten in de laatste verkiezingen hebben gestemd – het dan nu zo goed kan vinden met Sinn Féin/de IRA, waarom heeft hij dan niet al veel eerder bakzeil gehaald en de provincie al die ellende bespaard? Met welk doel zijn dan in dertig jaar Troubles al die doden gevallen? Heeft Ian Paisley, door uiteindelijk akkoord te gaan met het Goede Vrijdag Akkoord dat hij eerst had gesaboteerd, uiteindelijk de zaak opgeofferd aan zijn persoonlijke ambitie: voor hij afscheid neemt van de politiek nog even Eerste Minister van Noord-Ierland worden?

Het antwoord op die laatste vraag is vrijwel overal in de unionistische gemeenschap een verbitterd ‘ja’. En Paisley’s kerk? Die heeft hem er eerder dit jaar al uitgegooid, precies vanwege dit verraad, hoewel zijn echtgenote de bestuurders had gevraagd haar man die afgang te besparen.

Unionisten hebben geen goed imago. Van de manier waarop Paisley de paus beledigt als ‘de Antichrist’ tot de onverzoenlijke manier waarop de protestantse organisatie Orange Order, het recht afdwingt om kost wat kost eenmaal per jaar door een nationalistische katholieke buurt te paraderen – het is een beeld dat niet bepaald de harten verwarmt. Dat de unionisten bovendien tot de jaren negentig jarenlang hun numerieke meerderheidspositie in de provincie uitbuitten zonder rekening te houden met de belangen van de katholiek-nationalistische minderheid, maakte ze evenmin populair. Gerry Adams’ Sinn Féin is daarbij vergeleken nog steeds een meester in ‘wij zijn de verongelijkte minderheid’-public relations, een strategische opstelling die door vele buitenlandse sympathisanten in grote lijnen werd geslikt.

Na 9/11: wapens inleveren

Tot de terreuraanslag op het World Trade Centre in New York, waarna de Amerikanen – de machtige Ierse lobby incluis – de activiteiten van de IRA, opeens niet langer te excuseren vonden en dat ook duidelijk maakten aan Sinn Féin. De wapens aan republikeinse zijde waren, Goede Vrijdag Akkoord of niet, ook na april 1998 het grote strijdpunt gebleven. Toen die eenmaal onder internationaal toezicht ‘buiten gebruik waren gesteld’ en de twee sporenstrategie van the bomb and the ballot box (terreur en politiek overleg) daarmee formeel was verlaten, kon Sinn Féin in Noord-Ierland aanschuiven in het gelid van ‘fatsoenlijke’ politieke partijen.

Alleen: veel unionisten geloven niet dat Sinn Féin en zijn achterban opeens lelieblank zijn geworden, en het gaat tegen al hun opvattingen over goed en kwaad in dat ‘moordenaars’ – nóóit gestraft voor hun wandaden – zich in de Assembly kunnen hullen in de mantel van respectabel politicus. In de woorden van de unionistische Europarlementariër Jim Allister, uit de Democratic Unionist Party gestapt vanwege Paisley’s verraad: ‘Je moet een zekere moraliteit aan de macht hebben. Hier zetelt bloedlust in het hart van de macht. Dat vervult me met diepe weerzin. En daarin sta ik niet alleen.’

Allister heeft recht van spreken: sinds de ommezwaai van Paisley van Doctor No naar Chuckle Brother is er een tussentijdse verkiezing in een kiesdistrict geweest. Allister, met zijn Traditional Unionist Party, pakte in februari in Dromore 16 procent van de DUP-stemmen af – een aardverschuiving die paniek in de DUP heeft veroorzaakt. De Assembly, waarin de unionisten de meerderheid hebben, heeft inmiddels niet voor niets Noord-Ierland-verkiezingen die waren voorzien voor 2009 verschoven tot 2011 – omdat de partijen zich ‘nog niet rijp voelen’ voor zo’n test.

Omstreden Oranje marsen

In het hoofdkwartier van de Loyal Orange Institution of Ireland – de Orange Order – in Noord-Belfast staart King Billy, de Nederlandse stadhouder en later Engelse koning William III, en de redder van het protestantisme, de bezoeker aan van bekers en blocnotes, vlaggen en briefopeners. In een hoek van de hal, boven, staat zijn primitief geschilderde afbeelding te paard ook weer op de houten buitenkant van een immense trommel. Dit is een antiek exemplaar van de Lambeg-drum, de dreunende trommel waaraan traditioneel working class-nationalisten in arme woonwijken zo’n hekel hebben omdat hij staat voor wat zij zien als ‘Kick the Pope’-optochten.

Van de duizenden Oranjemarsen rond de 12de juli, de datum van de Battle of the Boyne (1796) toen King William de katholieke King James op de vlucht joeg, zijn de meeste niet meer dan onschuldige, ouderwetse Koninginnedag-optochten. Kerkgangers op het platteland lopen in hun goeie goed op en neer naar hun kerk voor een dienst en komen later in hun Oranjehal – niet meer dan een verenigingsgebouwtje – bijeen voor thee en sandwiches of, later op de dag, alcohol en barbecue.

Maar de Grand Master of the Orange Order kent de pijnpunten: Belfast, Londonderry en nog steeds onopgelost de schandvlek van Drumcree, waar militante unionisten drie jaar achter elkaar zelfs tegen de politie vochten in massale veldslagen (‘Every Orange banner is a civil rights banner!’) om het recht na kerkbezoek te mogen terugkeren via de Garvaghy Road. Toen tijdens het laatste Drumcree-treffen elders in de provincie het huis van een katholieke familie in brand werd gestoken en drie kinderen verbrandden, kregen de Oranjemannen – omdat zij de emoties zo hadden opgehitst – van die tragedie de schuld. De propagandamachine aan nationalistische kant overtrof verre die van de onmachtig toekijkende Grand Orange Lodge. Die sloot zich op voor een paniekoverleg achter gesloten deuren, niet in staat de consequenties van de ramp te overzien voor het te laat was.

‘Wij stellen ons op het standpunt dat die mars nog steeds niet is voltooid’, zegt Dr David Hume, een van de topfunctionarissen van de Grand Orange Lodge, als ik hem daarnaar vraag. Zijn organisatie weet zeker dat het hele Drumcree-debacle destijds door de Sinn Féin-leider Gerry Adams persoonlijk in elkaar is gestoken, na maanden van ophitsen over aanstoot die de nationalistische bewoners van Garvaghy Road zouden moeten voelen. ‘Garvaghy Road is een openbare, doorgaande weg waar een kerkoptocht, zonder vlaggen, zonder het zingen van aanstootgevende liederen en niet langer dan 15 minuten één keer per jaar langs wil lopen, zoals ze al meer dan honderdvijftig jaar heeft gedaan. Waarom kunnen mensen hun medeburgers niet 15 minuten per jaar het licht in de ogen gunnen?’

Hume is zich wel bewust van het imago van zijn organisatie en hij kiest zijn woorden dan ook zorgvuldig. Maar wat hij zegt weerspiegelt wat Unionisten van allerlei aard en gradatie telkens weer tegen me zullen zeggen als ik hun vraag naar ‘de vrede’ die nu in Noord-Ierland heerst en die – als je de zittende politici in de Assembly mag geloven – terugvallen in de stammenstrijd van the Troubles ondenkbaar maakt.

‘Vrede?’ zegt Hume cynisch. ‘Een sóórt van vrede. Het soort vrede waarin onze Oranje-hallen in brand worden gestoken en onze optochten worden aangevallen. Een vrede waarin de symbolen van de staat – de Britse vlag voorop – moeten worden verwijderd van rechtbanken en andere overheidsgebouwen omdat Sinn Féin ‘neutraliteit’ eist. O, Dublin en Londen en Paisley en McGuinness hebben de mond vol over a shared future, een gemeenschappelijke toekomst. Maar over het verleden van de meerderheid van deze gemeenschap hier (1 miljoen unionisten op een totale bevolking van 1,5 miljoen inwoners) mag niet meer worden gesproken, omdat het politiek niet uitkomt. Dit is een vrede waarin van ons, de unionistische gemeenschap, steeds weer nieuwe concessies worden geëist. Het houdt nooit op. Het is nooit genoeg. Tot we niets meer over hebben om te geven. En dan hebben de republikeinen precies bereikt wat ze willen.’

Provinciale politiek

Eén middag op de publieke tribune in Stormont is genoeg om de toeschouwer een beeld te geven van het doen en laten van de Northern Ireland Assembly. In het eerste volle jaar van zijn bestaan heeft die nog niet één belangrijk besluit genomen. Paisley en McGuinness reizen vooral veel: naar Schotland of Wales voor interregionaal overleg, naar Dublin voor ontmoetingen van de British-Irish Council of ander ‘Noord-Zuid-overleg’. Ierlands Premier Ahern – inmiddels vertrokken vanwege vermoede financiële onbetamelijkheid – en voormalig aartsvijand Ian Paisley openden samen een nieuwe bezoekerscentrum op de plaats waar de Battle of the Boyne plaatshad. Het nieuwe regime vertaalt zich naar buiten toe vooral in photo-opportunities en in de vergaderzaal zelf in flauwe grappen ten koste van de coalitiepartner of in stekelige opmerkingen die terugwijzen naar het verleden.

Het is Questions to the First Minister, het vragenuurtje voor de premier, vanmiddag, maar het is de andere helft van de Siamese tweeling – vice-premier Martin McGuinness – die vandaag antwoordt. Volgende week is de echte First Minister weer aan de beurt.

Het geheel doet nog het meest denken aan een sessie van de Groninger gemeenteraad in de jaren zeventig: vragen van een papiertje gelezen, onbeholpen gestamel, afgevaardigden die zelf niet lijken te begrijpen waar de materie over gaat. McGuinness maakt zich er routineus van af en verdwijnt zo snel hij kan. Een suppoost waarschuwt de bezoeker: op de balustrade van de perstribune leunen om beter te kunnen zien, mag niet. Veiligheidsoverwegingen. Eind vorig jaar nog drong een loyalistische paramilitair Stormont binnen met een mes en een nep-bom. Hij wilde Gerry Adams en Martin McGuinness – ‘Paisley heeft ons altijd gezegd dat zij de vijand zijn’ – de keel afsnijden, zei hij.

Dat is niet gebeurd. De politici Gerry Adams en Martin McGuinness mogen nog regelmatig aanschuiven als de dragers van de kist van een overleden IRA-strijdmakker, maar met geweld hebben zij niks meer te maken. De deputy-First Minister was, zoals dit voorjaar bekend werd, in 1987 nog persoonlijk betrokken bij de aanslag op een dodenherdenking in Enniskillen. De bedoeling was een militaire band op te blazen, met burgers als voor McGuinness aanvaardbare ‘collateral damage’ (bijkomende schade). De explosie resulteerde in 11 doden, allen burgers.

Maar nu lijkt het alsof die gewelddadige McGuinness nooit heeft bestaan. Dezer dagen spreekt McGuinness-de-politicus zich uit over zijn zorg dat vissen misschien pijn lijden. Vanwege die vrees zou hij het hengelen misschien wel willen opgeven.

‘Wij hebben hier nauwelijks politiek kader’, zal een voormalig Ulster Unionist Party-gemeenteraadslid later tegen mij zeggen. ‘Wat je in de Assembly ziet zijn mensen die jarenlang alleen maar over speelplaatsen en vuilnisbakken hebben mogen beslissen, omdat Londen hier de echte beslissingen nam. De belangrijkste reden om powersharing in de Assembly te laten voortbestaan, is dat al die 150 leden op 50.000 pond per jaar plus onkosten zitten. Paisley en McGuinness op meer dan 60.000, plus een auto met chauffeur. Je zou als assemblee-lid wel gek zijn als je de boel dan laat klappen.’

Oversubsidiëring

Een aantal politieke landmijnen ligt langs de weg die het Democratic Unionist Party-Sinn Féin-bestuur van de provincie samen heeft te bewandelen. Daarbij gaat het niet alleen over de sociale en economische gevolgen van de normalisering, die op termijn een eind zullen maken aan de over-subsidiëring vanuit Londen en daarmee aan de prettig lage kosten die de burger betaalt voor openbare voorzieningen. De explosiviteit heeft vooral te maken met het verleden en de mate waarin dat niet ontkend kan worden, alle politieke gladstrijkerij ten spijt.

De nieuwste Lonely Planet-reisgids prijst Belfast aan voor zijn ‘hip hotels and hedonism’. De werkelijkheid is minder vrolijk: rond pubs en clubs spelen zich in Belfast nu dezelfde dronken taferelen af als overal elders in Engeland. Bovendien groeide het aantal muren tussen protestantse en katholieke straten (peace walls) van negen naar 26.

De politie, van een voornamelijk (92 procent) protestante Royal Ulster Constabulary keurig omgevormd in een Police Service Northern Ireland (PSNI) met bijna 25 procent katholieke politiemensen, wordt nu vanuit katholieke en protestante getto’s gelijkelijk met benzinebommen bestookt. En opnieuw opgeblazen: tenminste twee politiemensen ontsnapten de afgelopen maanden aan de dood, omdat ze thuis niet onder hun auto hadden gekeken voor ze naar het werk reden. De bommen, zegt de hoofdcommissaris, zijn het werk van ‘dissidente republikeinen’.

Dat is politieke landmijn nummer 1: de aanhoudende activiteit van de Real, of de Provisonal, of zich nog anders noemende IRA, die officieel de wapens heeft neergelegd en zijn Army Council met pensioen heeft gestuurd. Maar de personen die verantwoordelijk zijn voor bijvoorbeeld het ontvoeren en doodknuppelen van de 21-jarige Paul Quinn in het zogenoemde bandit country-gebied in South-Armagh, of de mannen die in een bar in Belfast Robert McCartney doodschoten en vervolgens alle getuigen met de dood bedreigden – worden die uit politieke wenselijkheid als ‘dissidente republikeinen’ bijgezet of zijn het nog steeds dezelfden, van wie iedereen de identiteit weet?

En wat zegt het over de politieke integriteit van Sinn Féin, dat weliswaar de moord op Quinn zegt af te keuren, maar heel goed weet dat de chauffeur van zijn minister Conor Murphy naar verluidt één van de Quinn-moordenaars is?

‘Gerechtigheid lijkt hier onmogelijk en van vervolging en veroordeling lijkt het vaak om ondoorgrondelijke redenen niet te komen’, klaagt een columnist in de (unionistische) Belfast Telegraph. ‘Deze regering doet zaken volgens principes die rechtstreeks ingaan tegen de wetten van goed en kwaad en vergiftigt daarmee alles wat ze aanraakt.’

En dan is er het explosieve onderwerp van de slachtoffers van het verleden en hoe aan hun lijden gerechtigheid moet worden gedaan. Wie is onschuldig slachtoffer en wie niet? Staan de moeder va een vermoorde verpleegster, en de paramilitair die haar opblies op hetzelfde plan? Sinn Féin vindt van wel: ‘Wij zijn allen slachtoffers.’

Noord-Ierland heeft geen vredestichter à la Mandela of Tutu en moet het zoeken in een ‘victims commissioner’, die slachtoffers moet compenseren. Maar over de persoon die de Assembly aanwees ontstond onmiddellijk onenigheid vanwege veronderstelde vooringenomenheid. Oplossing: vier functionarissen, uit elk kamp een.

Even buiten Omagh, waar in het jaar van het Goede Vrijdag Akkoord ‘dissidente republikeinen’ op een zaterdagmiddag in de zomervakantie de ergste slachtpartij in de geschiedenis van Noord-Ierland aanrichtten (58 doden, honderden gewonden en verminkten), laat Oranjeman Henry Reid mij zijn Glock-pistool zien. Als hij het licht in de kamer uitdoet, zie je een groen gloeiend lichtje op de loop van het wapen. Daardoor kun je het ook met nachtvizier gebruiken en dat is maar goed ook, want Henry is behalve boer en hotelier ook vrijwillig politieman. Vannacht moet hij in een naburig gehucht waken over een net voorwaardelijk vrijgelaten zedendelinquent, die na donker zijn huis niet mag verlaten, maar die ook bedreigd wordt door anonieme vigilanten. Twee politieauto’s met twee inzittenden elk zijn er nodig om nacht na nacht het werk te doen: een houdt zich op in de buurt van het te bewaken pand en de ander rijdt rondjes in de nabije omgeving om te voorkomen dat de stationair geparkeerde collega’s doelwit worden van ‘dissidente republikeinen’. Henry heeft vanwege dat scenario zijn geweer voor de lange afstand, maar hij houdt de Glock achter de hand voor precisiewerk.

‘Onder het oppervlak hier broeit het altijd,’ zegt Henry. ‘De natives tegen de staat en omgekeerd. Vierhonderd jaar lang al – als een koorts. Wat dat betekent voor mijn generatie? Je stort je nooit in een situatie. Je gaat nooit de deur uit zonder geweer. Je hebt je geweer altijd beneden in huis klaarstaan – exact hetzelfde geweer waarmee mijn grootvader Omaha Beach op kwam stormen. Twee keer per jaar heb je het nodig.’

Later laat hij mij zijn politiebureau zien, in een gehucht 7 kilometer verderop. Het is een versterkte bunker met vele dubbele toegangssluizen. ‘Ze gebruiken ze nu in Irak.’ Henry zelf is hier een keer bijna naar buiten geblazen door een bom die over de prikkeldraadversperring naar binnen werd gegooid. Een andere keer ging zijn boerderij bijna de lucht in omdat iemand een tripwire over de oprit had gespannen. De man van de explosievendienst die dat toevallig ontdekte en die de bom in de berm van de oprit onklaar maakte, is hij nog steeds dankbaar. ‘Wij als Orangemen zijn niet uit op conflict’, zegt hij. ‘Maar een minderheid – en daar reken ik mezelf ook toe – is nu wel ontzettend bitter.’

Sinn Féin wil in de nabije toekomst de hand leggen op uitgerekend de portefeuille van justitie en politie – een stap waartegen de Democratic Unionist Party zich tot nu toe heeft verzet, zodat dit stukje overheidsbevoegdheid nog in handen van Londen is.

Nóg. Het idee dat de rechterhand van McGuinness, de veroordeelde moordenaar Gerry Kelly, straks minister van Justitie zou kunnen zijn, gaat zelfs Paisley te ver. Diens opvolger Peter Robinson lijkt al evenmin gecharmeerd van de gedachte, maar heeft zijn partij er wel in principe toe verplicht bij het opstarten van de Assembly.

‘Het is zo’n belediging!’ zegt een psycholoog-slachtoffercounselor. ‘Wij leven hier in ijskoude tijden.’

Hieke Jippes is journalist in Groot-Brittannië.