Niet erg wilde parken

Natuurparken zijn er voor de natuur en de wilde beesten. Maar ze trekken ook nieuwe bewoners en koeien op zoek naar vers gras.

Michiel van Nieuwstadt

Tamme koeien in het wildpark. Het is in Kenia geen ongewoon schouwspel. Als het land in de omgeving van Samburu National Park is uitgedroogd, drijven de veehouders hun koeien het park in. “Omdat het beschermde gebied niet zo intensief wordt begraasd, is daar in de droge tijd nog voedsel te vinden”, zegt ecoloog George Wittemyer van de universiteit van Californië in Berkeley aan de telefoon. “Het vee overleeft dankzij het park.”

De lokale bevolking heeft niet alleen in Kenia baat bij natuurparken, blijkt uit Wittemyers analyse van bevolkingsgroei in de omgeving van 306 beschermde natuurparken in Afrika en Zuid-Amerika. Wittemeyer laat zien dat de oprichting van de parken in de afgelopen decennia vaak nieuwe bewoners uit de omgeving heeft aangetrokken. De bevolkingsgroei in een tien kilometer brede zone rondom de parken was tussen 1960 en 2000 gemiddeld 75 procent hoger dan op de rest van het platteland (Science, 4 juli). Dat is mooi voor de bewoners, maar nadelig voor natuurbehoud. Bevolkingsgroei in of rond natuurparken gaat immers relatief vaak samen met illegale houtkap, mijnbouw, jacht op bushmeat (vlees van wilde dieren) en achteruitgang in biodiversiteit.

Al met al kan het oprichten van natuurparken voor de natuurbescherming averechts uitpakken. In Science schrijft Wittemyer: “De internationale financiering voor natuurbehoud kan, ironisch genoeg, de menselijke druk op de de biodiversiteit verergeren, terwijl het die nu juist wil verlichten.”

bufferzones

Toch wil hij niet dat de financiering van natuurparken wordt teruggeschroefd. Wittemyer pleit zelfs voor grotere parken, omdat kleine parken nu vaak eilanden zijn in een zee van economische ontwikkeling. “Bij brand of een andere ramp kunnen de dieren geen kant op. Natuurparken moeten worden omringd door bufferzones en corridors die ervoor zorgen dat de biodiversiteit niet alleen op papier wordt beschermd.”

Deze goede raad past in een paradigmaverschuiving in de natuurbescherming, zegt de Nederlandse ecoloog Paul Scholte, verbonden aan de universiteit van Leiden. “Volgens deze nieuwe aanpak moet je niet alleen een natuurpark creëren, maar ook invloed proberen uit te oefenen op de omgeving. Er worden landschapsparken gecreëerd waarin oog is voor biodiversiteit, maar ook voor economische ontwikkeling.”

Als voorbeeld van een dergelijke grootse aanpak noemt Scholte het park Tri-DOM in het Congo Bassin, dat verdeeld is over Gabon, Kameroen en Congo-Brazzaville. In Zuid-Amerika beslaat de Midden-Amerikaanse Biologische Corridor zelfs acht landen: Mexico, Guatemala, Belize, Honduras, El Salvador, Nicaragua, Costa Rica en Panama.

“Natuurbeschermingsorganisaties die bij deze parken betrokken zijn, proberen op overheidsniveau invloed uit te oefenen”, zegt Scholte. “Maar ook aan deze aanpak zitten veel haken en ogen. Je hebt niet langer te maken met natuurparken van behapbare omvang, maar met enorme bufferzones. Die grote oppervlakken moet je beschermen met dezelfde middelen.”

ijzermijn

Het park Tri-DOM is door de betrokken landen aanvankelijk met veel enthousiasme begroet, zegt Scholte, maar dat betekent niet dat de natuurbescherming daar nu vanzelfsprekend is. Op de rand van het park is een ijzermijn gepland.

Wittemyer erkent dat natuurbeschermers moeten oppassen dat hun geld niet te veel wordt uitgesmeerd, maar bepleit kleinschalige maatregelen, op enige afstand van de parken. “Nu zie je vaak dat de toegangsweg en de ingang tot een park door de toestroom van toeristen en buitenlands geld het enige economische knooppunt in de omgeving worden. Dat valt te sturen door de projecten die je onderneemt voor de lokale bevolking slim te situeren. Voor vissers kun je een kunstmatig meer creëren, waar bijvoorbeeld tilapia wordt gekweekt. In de buurt van Samburu zijn plannen voor abattoirs waar de veehoeders blij mee zijn. Die moet je dan wel neerzetten op flinke afstand van de parken en buiten de corridors waar grote wilde dieren doorheen trekken.”

Wittemyer verwijst in Science naar het werk van Paul Scholte, die als eerste een case study publiceerde over de aantrekkingskracht van een natuurpark (Ambio, 2003). In het natuurpark Waza Logone, vernoemd naar een rivier in het noorden van Kameroen, werd in 1994 een vloedvlakte hersteld door een rivierdam te breken. In de studie laat Scholte zien dat het park vooral aan vissers en vee ten goede kwam, en niet aan zeldzame vogels en antilopen.

Scholte: “Wij zagen de bevolking groeien met 5 à 6 procent per jaar, inclusief de migratie dus, dat betekende daar ter plaatse een verdubbeling van de bevolkingsgroei. Met de oprichting van het park ontstonden vele nieuwe dorpen, officieel buiten het park, maar wél pal op de rand.”

schooltje

Waza Logone is gesteund met geld van de Nederlandse overheid, maar intussen is de geldkraan vrijwel dichtgedraaid, aldus Scholte. Discontinuïteit is funest voor dit soort projecten, zegt hij. “Een toename van de bevolking rond een park hoeft geen groot probleem te zijn. Er is werk voor parkwachters, er komt een schooltje en een ziekenhuis. Begrijpelijk dat mensen daardoor worden aangetrokken. Maar als het project stopt, houd je de bevolkingsdruk terwijl de voordelen van een goed gemanaged park snel wegebben.”