Met 25 kilo pindakaas naar Marokko

In een volgepakte Mercedes-bus reisde Abdelkader Benali vroeger elke zomer met zijn familie naar Marokko. Een verdwijnend fenomeen: de allochtone volksverhuizing in de Kolenkitbuurt in Amsterdam.

De oranje Mercedes-Benz 207D op de foto hiernaast is dezelfde vierkante Mercedes-Benz 207D die ons in 1990 naar Marokko bracht. Er is sindsdien weinig veranderd. Het aantal schotelantennes is duidelijk toegenomen, ook zijn er nu wat meer hoofddoekjes. Voor het overige stroomt de rivier kalmpjes verder. Migranten gaan graag hun eigen gang.

Met ijzeren discipline bereiden Marokkaanse families hun lange reis naar het vaderland voor. Al is het misschien beter om te spreken van een kleine volksverhuizing, want hele buurten zijn in de zomer verlaten. Oranje zeil is gekocht of nog bewaard van de vorige reis. Speciale haken staan klaar om het zeil op zijn plaats te houden. Zonen helpen hun vaders bij het optakelen van de koelkasten, televisies en scooters, die op het dak van de bus belanden. Moeders richten de binnenruimte in. De wagen is pakezel, postbode, klein warenhuis en theekrans ineen. Drie dagen rijden met de kinderen vraagt om een speciale inrichting. Dekens om ’s avonds de kinderen mee te bedekken worden lang van tevoren uit de kast getrokken om de lucht van mottenballen eruit te krijgen.

Voor de komst van onze Mercedes hadden we een Volkswagenbus. Een paar maanden voor het begin van de zomervakantie kwamen ze langs bij mijn vader: de mannen in hun versleten spijkerbroeken, lange, bruine jas en soms een zonnebril op of in bezit van parmantige baard. De Asamsar, bemiddelaars in auto’s. Ze hadden er lucht van gekregen dat mijn vader een vehikel zocht om zijn uitdijende familie fatsoenlijk mee aan de andere kant van de Middellandse zee te krijgen. Via zo’n bemiddelaar kwam hij aan de Volkswagen die ons bij terugkeer naar Nederland in de steek liet in het grensgebied tussen Spanje en Frankrijk. De terugkeer naar huis moest daarna met de trein worden voltooid.

We stapten over in Parijs. In het taxiritje van Gare d’Austerlitz naar Gare du Nord zag ik meer van Europa dan tijdens de autoreis naar het zuiden. De boulevards, de Franse reclames en de mengelmoes van slenterende mensen langs de rivier. Het maakte een onvergetelijke indruk. Dít was de echte reis.

De oranje Mercedes volgde de blauwe Volkswagenbus op. Op zondag troffen we de laatste voorbereidingen. Mijn vader tankte bij de witte pomp. En thuis bekeken we de finale van het wereldkampioenschap voetbal. Andreas Brehme schoot Duitsland uit een penalty vlak voor tijd naar de titel. Dat was dat. Na het laatste fluitsignaal spoedden we ons naar onze oranje Mercedes. Een voor een klommen we erin, acht mensen, als sardientjes in een blik.

Maar het moment dat je op je plek zat, gewend was geraakt aan de elleboog van je broer, de adem van je zus, de neuriënde stem van je moeder, de knie van het broertje, de zure lucht van iets onbestemds, de lauwe koffie, de vieze frisdrank waar de prik uit was gevlucht, de regen op de ramen, de neus van de kleine, en de tinteling in je arm omdat je nu eenmaal niet gestrekt kon slapen, dan ging het wel. Dan voelde het zelfs alsof je niet anders gewend was. Dit was het echte reizen. De spanning werd bij elke afgelegde kilometer groter dan het ondergane ongemak en ik besloot dat het leven zelf ook zo moest zijn: steeds krapper, steeds meer zweet van de ander, steeds oncomfortabeler, maar juist door die toegenomen veeleisendheid, ook steeds spannender.

Wat ging er allemaal in die wagen dat bij aankomst snel uitgeladen werd? Tuinstoelen, een blik pindakaas van 25 kilo (die in nog geen zes weken tijd helemaal opging), Chinese Gunpowder Thee (geen idee waarom we dat moesten meenemen, in Marokko was in het kleinste gat thee te krijgen), overhemden voor ooms en neven die rustig gehouden moesten worden. En zelfs mijn zussen konden gerekend worden tot lading die van de hand kon gaan voor de hoogste bieder. Vanaf de eerste dag klopten moeders van potentiële bruidegommen aan.

Wij, de kinderen uit het verwende Westen, deden alsof het huwelijksgekwetter van de dames langs ons heen ging. Maar ik weet zeker dat mijn zusters onder hun stoere onverschilligheid hun onrust verborgen. Ze gingen nergens op in, deden alsof de wereld van het uithuwelijken niet bestond en negeerden de zachte aandrang van onze moeder.

Mijn vader deed er ook niet aan mee. Hij liet de grote beslissing van hun leven aan de meisjes over. Zij mochten zelf uitmaken wanneer ze in het huwelijksbootje wilden stappen. Wie zijn dochters uithuwelijkt is ze voorgoed kwijt, en hij wilde ze nog even zien. Ik denk dat hij met een zekere opluchting weer met de hele familie terugreed naar Nederland.

De hele reis zat ik naast mijn vader met de grote kaart van Europa. Uit verveling leerde ik Franse steden uit mijn hoofd. Ik moest met de kaart op schoot mijn vader ervoor behoeden dat hij de verkeerde afslag nam, ons een landelijke weg op stuurde of, de grootste ramp, dat we via een rotonde op de snelweg terug naar het Noorden terechtkwamen, waarna we pas weer na honderd kilometer de weg terug konden nemen.

Na zo’n reis was de kaart versleten; alsof er duizenden vingers over hadden gestreken, alsof de kaart zelf was bereden. In Spanje, heuvel na heuvel afvinkend door de Sierra Nevada, het dorre gebergte van Andalusië, veroorzaakte de monotonie een ruis in het hoofd. Er kwam geen eind aan de heuvels waarachter ik steeds weer en steeds tevergeefs de havenplaats meende te ontwaren.

Bij tankstations kwam je andere Marokkaanse families tegen, maar het was niet de bedoeling dat er gecommuniceerd werd. Het was ieder voor zich. Mannen ontweken de blikken van andere mannen en vrouwen zag je pas bij aankomst in de Spaanse havensteden waar wij, al die migranten dorstig naar de droge hitte van hun vaderland, werden overgezet. Dan stapten mensen uit om hun benen te strekken.

Mijn vader ging in de rij staan bij het ticketkantoor en liet een hakmes achter in de handen van mijn moeder voor het geval criminelen hun oog lieten vallen op ons busje. Wat viel er te stelen? Een blik pindakaas! Net op het moment dat het leek alsof van vertrek geen sprake zou zijn, de hele onderneming een grap, startte mijn vader de wagen. We schoten naar binnen en schoven de maag van het schip in.

Aan boord hadden we in een krappe kamer tijd om ons te wassen en andere kleren aan te trekken, zodat we als schone kinderen aankwamen die, zo leek het, op geen enkele manier last hadden gehad van die reis. We hoorden de boot aanleggen in Marokko. We roken de geur van Afrika. Hier scheen de zon recht in de ogen. De hele vakantie lang.

De foto’s bij dit artikel komen uit het deze maand verschenen boek De Kolenkitbuurt (uitgeverij Bas Lubberhuizen, 144 blz, € 22,50). In opdracht van de plaatselijke woningbouwvereniging legden fotograaf Bart Sorgedrager en stadssociologe Ineke Teijmant daarin het verdwijnend straatbeeld in de Bos en Lommerbuurt vast. Alle flats op de foto’s worden binnenkort gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Zowel de oude als de toekomstige bewoners krijgen het boek cadeau.