Jozef-de-leeuw haalt flink uit

Een oudere vrouw valt Jozef al sinds jaar en dag lastig. Ze zegt en doet niets, ze is er alleen. Opeens is Jozef het helemaal zat. Hij geeft haar een pak rammel en dat is meer dan een duw.

Hoe lang kun je een leeuw tergen voordat hij toeslaat? Heel lang. Maar op een keer slaat hij, en hard ook. Wie geef je dan op zijn donder? De leeuw, zo zal blijken.

Jozef is een donkere man van in de dertig en, zo te zien, vrij sterk. Zijn vriendin is indrukwekkend hooggehakt en heeft, ondanks het warme weer, een bontmantel tot op de grond aan. Achterin de zaal van de rechtbank in Amsterdam zit stilletjes een wat muizige, oudere, Surinaamse mevrouw op gympen, haar boodschappentas op schoot. Je zou het niet zeggen, maar zij is degene die hem tergde. Niet alleen volgens Jozef. Ook de buurtregisseur, de officier van justitie en de rechter weten het.

Sinds jaar en dag achtervolgt ze Jozef. Ze beschimpt hem op het internet, valt zijn familie lastig, heeft geprobeerd zijn vriendin aan te rijden met de auto. Als hij in de auto rijdt, fietst ze naast hem. Alsof ze, zegt Jozef, op een bezemsteel zit. En ze post bij zijn flat in de Bijlmer. Jozef heeft aangifte gedaan bij de politie. Ze heeft een contactverbod opgelegd gekregen. Dat weet ze handig te omzeilen. Ze zegt niks tegen hem, ze is er alleen. Elke dag. Mevrouw is herhaaldelijk gewaarschuwd door de politie, maar er blijven meldingen komen dat zij hem „hinderlijk achtervolgt”.

In januari 2007 ging het mis. De galerij van de flat waar Jozef woont heeft een toegangsdeur, waarvan alleen de bewoners een speciale sleutel hebben. Wat doet mevrouw W.? Ze wacht net zo lang tot een van Jozefs buren de deur in of uit gaat, en glipt er dan tussendoor. Dan staat ze voor Jozefs appartement. Ze dóét niks. Maar ze is er wel. Altijd.

Wie is deze vrouw? Zijn ex? Zijn tante? Dat blijft ongewis. Ze zegt dat ze boos op hem is, omdat ze nog geld van hem krijgt. De rechter besteedt verder geen aandacht aan háár misdragingen. Want het gaat vandaag niet om haar. Het gaat om Jozef en om wat hij deed op die dag in januari. Hij ging, zoals hij zelf tegen de politie verklaarde, door het lint. Toen hij haar weer zag staan, stormde hij zijn woning uit. Ze nam meteen de benen. Hij ging terug om zijn jas te halen en ging daarna naar beneden. Zij stond net op het punt in de auto te stappen. Dat werd bekvechten. Zij dreigde hem te slaan, zegt Jozef. Hij heeft haar toen een duw gegeven. Zij is gevallen. Hij liep weg.

Een week na dit voorval deed mevrouw W. aangifte. Jozef moest op het politiebureau komen. De duw ontkende hij niet. Hij was zó boos, zei hij, en zo vaak geprovoceerd, dat hij haar een flink pak rammel heeft gegeven. En dat ze het vooral niet nog eens moest flikken hem lastig te vallen. En met die verklaring zit de rechter nu een beetje in haar maag. Want een pak rammel is wel wat anders dan een duw.

Een week voor de zitting heeft de officier van justitie telefonisch contact gezocht met mevrouw W. Hoe het nou met haar ging, en of ze eigenlijk nog letsel had overgehouden aan de duwpartij van anderhalf jaar geleden, want daarover stond niks in de aangifte. Mevrouw W. kon zich desgevraagd herinneren dat ze erge pijn had gehad aan haar arm en haar knie.

Dat telefoontje, zegt de officier, is service van de zaak. Het feit dat er letsel was, maakt het, juridisch gezien, natuurlijk ook iets makkelijker Jozef te vervolgen voor mishandeling. De officier begrijpt best, zegt hij, dat het heel vervelend is als iemand continu achter je aanloopt. Maar wat Jozef heeft gedaan is „een vorm van eigenrichting”, en dat mag niet.

De rechter vindt ook dat er meer is gebeurd dan „een simpele duw”. En begrijpt ook dat een stalker inbreuk maakt op je leven, en dat dat heel vervelend is. Ze snapt zelfs dat Jozef getergd was. „Maar u mag niet zelf handelen. U mag geen klappen geven van de wet.” Jozef krijgt een boete van 200 euro, de helft voorwaardelijk, te betalen als hij nog eens toeslaat. Er valt een pijnlijke stilte in de zaal. Jozef blijft zitten. Ook zijn vriendin beweegt niet. De rechter zegt: „Het lijkt me verstandig als u, mevrouw W., als eerste naar buiten gaat.”