Goede bankiers

Deze zomer beschrijven onze correspondenten de verhouding van hun land met geld.

Aan het meer van Genève woont een Arabische prins met zeventien man personeel. Voor islamitisch nieuwjaar, in oktober, besloten zijn buurkinderen koekjes voor hem te bakken – de prins en zijn vier chauffeurs geven hun immers ook geregeld roze kauwgom en ander snoep als ze met hun Maserati’s of Hummers langsrijden. Dus de kinderen gooiden meel en boter en suiker bij elkaar en een uur later liepen ze trots met een pot zandkoekjes het prinselijke oprijpad op.

Even later kwamen ze schreeuwend terugrennen, gebalde vuistjes voor zich uit. Eenmaal thuisgekomen bleek wat daarin geklemd zat: biljetten van tweehonderd Zwitserse frank.

„Nou zeg,” zei hun moeder, acuut genezen van de multiculturele voldoening die haar eerder had bevangen. „Ik weet niet of we dit volgend jaar weer doen.”

„Jawel!!” riep de vader. „Dan breng ík de koekjes. Misschien krijg ik dan de Bugatti.”

In China, Rusland of de Emiraten kun je deze taferelen aan de lopende band meemaken. In Europa is er maar één plek waar zoveel mensen geen benul hebben van wat geld waard is, omdat ze er zoveel van hebben: Zwitserland.

Zwitsers zijn altijd goede bankiers geweest – net zoals ze al eeuwen meester-chocolatiers, horlogemakers en farmaceuten zijn. Daar zit een logica in. Zwitserland heeft weinig grondstoffen. Voor grootschalige landbouw zijn hier te veel bergen. Dus excelleren de Zwitsers in dienstverlening en de fabricage van verfijnde, specialistische artikelen. Daarbij is dit een kapitalistisch land met zwakke vakbonden, soepel ontslagrecht en weinig sociale vangnetten. Dit verklaart deels waarom Jonathan Steinberg in ‘Why Switzerland?’ – dé klassieker voor expats – schrijft: „Zwitserland is al zeker honderd jaar een van de drie of vier rijkste landen ter wereld, hoe je ‘rijk’ ook definieert.”

Het andere deel van de verklaring is de Tweede Wereldoorlog. Zwitserland was neutraal. Veel Europese Joden stuurden in de jaren dertig geld en kostbaarheden hierheen, voor de zekerheid. De nazi’s zetten Zwitserland onder druk om namen van rekeninghouders te geven. Om de banken te beschermen, toen al een belangrijke pijler van de economie, scherpte het Zwitserse parlement het bankgeheim aan. Het gevolg was dat Joods bezit in Zwitserland veiliger was dan hun eigenaars. Hun werd meestal de toegang geweigerd – met de welbekende gevolgen.

Het bankgeheim bestaat nog. Zwitserland blijft neutraal. Deze combinatie zuigt nog altijd kapitaal aan. Het Zwitserse bankwezen fungeerde lang als brandkast voor ’s werelds corrupte regimes – de Duvaliers en de Mobutu’s parkeerden de rijkdommen van hun land in Zürich en Genève. Tegenwoordig voelen de Zwitsers zich daar, met hun mensenrechtenprincipes, ietwat schuldig over. Dus worden klanten beter gescreend dan vroeger: als ze bloed aan hun handen hebben, komen ze er niet meer in.

Maar geen nood: het aantal miljonairs en miljardairs stijgt snel. Nergens ter wereld wordt zoveel particulier geld beheerd als in Zwitserland. Zestig procent van het vermogen op Zwitserse banken is van mensen die hier niet wonen. Veel van hen hadden er eigenlijk belasting over moeten betalen in eigen land. Maar in Zwitserland is belastingontduiking niet strafbaar.

Dit is een van de redenen dat Zwitserland geen lid wil worden van de EU. Het idee dat zij solidair moeten zijn met belastingdiensten in andere landen, vinden Zwitsers onverteerbaar. Op alle andere terreinen werken ze echter nauw samen met de EU. Dus alweer: geen nood. „Omdat we beschaafde Europeanen zijn,” zegt een Zwitserse diplomaat, „laat Brussel ons meedoen aan gezamenlijke projecten die we wel willen.”

Zestig procent van alle Europese wetgeving wordt, met enige vertraging, ook in Zwitserland van kracht. Ook zijn er satellietprojecten, landbouwovereenkomsten, Schengen, handelsakkoorden: „In veel opzichten zijn wij Europeser dan de Britten.”

Hét verschil tussen Zwitserland en andere Europese landen is in één woord te vangen: geld. Geld houdt Zwitserland onafhankelijk en ‘vrij’. Geld is de raison d’être van dit land. Iedereen handelt daarnaar. Van de Russische nouveau riche met een kast vol Jil Sander tot de boerenzoon die tegen een nieuw ziektekostenstelsel stemt.

Geld maakt de uitkomst van referenda voorspelbaar. Of die nu over crèches gaan of Roemenen op de arbeidsmarkt – als het goed is voor de economie, stemmen Zwitsers meestal ja.

Geld verklaart ook waarom pittoreske dorpjes in het kanton Schwytz ineens propvol ‘business centers’ staan, waar zowat elke taal behalve Duits wordt gesproken: buitenlandse holdings krijgen zoveel belastingvoordeel dat ze halsoverkop hierheen verhuizen. Zwitsers, die bekendstaan om hun bloeiende dorpsleven en sociale conservatisme, laten dit gebeuren. Het is immers goed voor de economie.

Waarom mag de Saoedische prins hier zo lang wonen als hij wil, al kent hij haast niemand in het dorp – terwijl de Braziliaanse werkster die overal werkt en alles over iedereen weet, na vijftien jaar nog illegaal is? Juist: geld.

Niemand heeft beter over Zwitsers en geld geschreven dan Graham Greene. In ‘Doctor Fischer of Geneva or The Bomb Party’ voert hij een tandpastamagnaat op die in een magistrale villa in Versoix (bij Genève) mensen vernedert in ruil voor geld. Het is een kil boek over hebzucht.

Maar steeds als je door Versoix rijdt, kijk je onwillekeurig naar die enorme huizen die daar aan het meer staan – sommige ronduit poenig, andere oud en romantisch met mooie torentjes. In welk huis zou Doctor Fischer hebben gewoond? Die villa’s fascineren. Precies zo, hier langsrijdend, moet Greene ook gekeken hebben toen hij het plot voor dit boek bedacht. De fascinatie hield in Greenes geval trouwens niet meer op. Zijn graf ligt in Vevey.