Dit is de man Dit is zijn pak

Een buffelleren kolder. Een maatkostuum van François Mitterrand. En de rijglaarzen van Pim Fortuyn. In het Haags Gemeentemuseum begint deze maand de tentoonstelling ‘De Ideale Man, Mode Voor Echte Mannen.’

Hoe kun je een expositie maken over een fenomeen dat volgens velen niet bestaat? Het Haags Gemeentemuseum doet deze zomer een poging met de grootse tentoonstelling De Ideale Man, Mode Voor Echte Mannen. De vrouwelijke conservatoren Madelief Hohé en Ninke Bloemberg van het Gemeentemuseum denken dat er wel degelijk zoiets is als mannelijke mannenmode.

De tentoonstelling laat zien dat mannenkleding verre van een stoffige bedoening hoeft te zijn: ‘Mannenkleding behelst veel meer dan saaie grijze pakken en is zeker niet synoniem met homo-erotisch of dandyesk’, stelt Hohé. Volgens haar heeft de man kledingsgewijs een veel bontere geschiedenis dan wij nu denken.

Hohe benadrukt dat de expositie zal openen tijdens de Amsterdam International Fashion Week en daarom is er bij de selectie duidelijk oog geweest voor een jonger publiek. Mannenmode staat volgens haar meer dan ooit staat in de belangstelling met internationale tentoonstellingen.

Ook op de Arnhemse Modeacademie valt een grotere interesse te signaleren; bijna een derde van de studenten daar studeert af op mannenmode. Het museum wilde daarom meer dan alleen het verre verleden in beeld brengen. Er wordt ook ingegaan op actuele zaken als: waarom dragen wij zo graag een spijkerbroek, waarom vinden we rokken voor mannen zo vreemd en wie zijn op dit moment de trendbepalende figuren?

Naast breekpunten in de mode is er ook aandacht voor kledinginvloeden van de achttiende-eeuwse trendsettende dandy’s Beau Brummell en Oscar Wilde. De meeste van die invloeden zijn vrijwel uit het straatbeeld verdwenen, al is de in 1778 geboren Brummell wel verantwoordelijk voor de opkomst van wol.

En dan is er de stijlkoning Edward VIII, de Duke of Windsor. Zijn invloed op de mannengarderobe is nog steeds actueel. Door zijn toedoen kreeg het mannenpak vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw een krachtiger silhouet en meer souplesse. Krijtstrepen en dunnere stoffen raakten in zwang en zijn modificaties van feest- en formele kleding zijn talrijk. Suède schoenen – tot dan toe alleen in de country gedragen – gingen bij Edward gewoon onder een donkerblauw pak. Een kennis van de Duke werd door deze textiele ‘misser’ fijntjes op de vingers getikt, maar die stelde: ‘It would be wrong if it were a mistake. But the Duke knows better – so it’s allright.’

Door het zeer gevarieerde karakter – de tijdspanne loopt van eind zestiende eeuw tot nu – zal de bezoeker zich niet snel vervelen. De een zal opleven bij het zien van een zeventiende-eeuwse buffelleren ‘kolder’, een soort militaire jas die onder een kuras werd gedragen, zoals valt te zien op De Nachtwacht. Een ander zal het aardig vinden om de originele door Marlene Dietrich gedragen witte smoking met hoed te zien die het Berlijnse Filmmuseum in bruikleen heeft gegeven.

Een eyecatcher is ook het donkerblauwe pak van Pim Fortuyn. Hij droeg dit Italiaanse pak van Ermenegildo Zegna als lijsttrekker van Leefbaar Nederland tijdens het ‘at-your-service’-salueermoment. Ook toont het museum Fortuyns vrijetijdsgarderobe, die bestond uit Armani-spijkerbroeken, een legerbroek en zijn militaire rijglaarzen voor, laten we zeggen, buitenmomenten.

Maatwerk voor Mitterrand

Socialist Joop den Uyl gooide zijn nieuwe pakken eerst tegen een muur, om deze van hun nieuwheid te ontdoen. Een daad waar de Franse oud-president François Mitterrand zich niet in gevonden zou hebben. Die klopte voor lange passessies aan bij zijn Parijse maatkleermaker Adriano Cifonelli.Niet alleen op uiterlijk gebied waren de verschillen tussen de twee socialisten groot. Den Uyl leefde op van een glas melk en een tosti, terwijl Mitterrand daags voor zijn dood nog een servet onder het hoofd stak voor het eten van een aantal ortolanen. Daarmee overtrad de oud-president de wet, want in de jaren negentig waren deze onder fin becs geliefde, zeldzame zangvogeltjes reeds een verboden delicatesse.

Mitterrand was een joyeuze, goed verzorgde man met oog voor uiterlijkheden. Tien jaar na zijn dood waren daar bij veilinghuis Drouot nog duidelijk de sporen van terug te vinden. In januari van dit jaar ging zijn garderobe onder de hamer en het Haags Gemeentemuseum wist daarbij twee maatpakken te bemachtigen. Zelfs het nietige speldje van het Légion d’honneur zit nog in het knoopsgat van de revers.

Het hier afgebeelde donkerblauwe zomerpak komt uit het atelier van Cifonelli, een kleermaker met Italiaanse voorouders, maar met een Londense opleiding. Zijn rank gesneden stijl, verwerking van dunne stoffen en kleploze zakken lonken eerder naar Napels dan naar de Londense kleermakersstraat Savile Row.

Het pak is in alle details een perfect voorbeeld van een bespoke suit, waarin tussen de vijftig en zeventig uur kleermakerswerk ligt verscholen. Dat is wel even wat anders dan het soort pakken dat wij in Nederlandse winkels onder de noemer ‘maatwerk’ krijgen aangeboden. Savile-Rowkleermakers hanteren deze definitie voor maatwerk: ‘The customer is measured by hand, his pattern is cut by hand and the garment is then sewn by many hands with an average of three fittings on the customer.’ Mitterrand moet dus heel wat geduld hebben gehad voordat zijn pak klaar was.

Maatpak van François Mitterrand uit 1985. Aankoop Gemeentemuseum Den Haag 2008

Haagse rokjas

Het mooiste en rijkst geschakeerde scala aan uniformen openbaart zich in landen met een grote traditie op dit terrein. Van oudsher is de hoofdrol hierin weggelegd voor Oostenrijk, Engeland en ook Italië. Een cynicus zou zeggen dat Italianen meer oog hebben voor fraai gesteven uniformen dan voor rond fluitende kogels, want op een paar succesrijk gelanceerde bemande torpedo’s na, stelt de Italiaanse krijgsgeschiedenis niet zo heel veel voor. Toch zal er geen vijand zijn geweest die de Italianen heeft overtroffen met zijn uniform.

Nederland kent op het moment een bescheiden uniformcultuur. Een aardige parade komt pas in beeld bij een koninklijk heengaan, huwelijk of tijdens Prinsjesdag. Volgens conservator Nicolaas Conijn van Het Loo was dat vroeger wel anders. Conijn ziet erop toe dat de vele livreien van de afgelopen eeuw op Het Loo overleven. Volgens hem is tijdens de periode van koningin Juliana de ambtskostuumcultuur wat op zijn retour geraakt. Hoge kosten en een sfeer van ‘doe maar gewoon’ hebben in die periode de aandacht voor uniformen geen goed gedaan. Bij het aanbieden van de geloofsbrieven draaft er nog weleens een ambassadeur op in ambtskostuum, maar het zijn stuiptrekkingen vergeleken bij de rituelen in landen als Engeland en Oostenrijk.

De donkerblauwe hofrok, afgewerkt met vergulde knopen voorzien van een gekroonde ‘B’, als verwijzing naar koningin Beatrix, is nog wel in beeld. De hier afgebeelde rokjas stamt uit de Franse tijd en is bijna twee eeuwen oud. Naar huidige maatstaven lijkt deze jas voor een pygmee te zijn bedoeld. Hij is gemaakt van donkergroen laken, bekleed met rood zijden fluweel.

Maar weinigen realiseren zich hoeveel invloeden het huidige mannenpak heeft ondergaan van militaire uniformen. De klepzakken, het vest en de rugsplitten hebben allen een militaire link. Ook kledingstukken als het T-shirt, raglanmouwen en de montycoat hebben een militaire of maritieme oorsprong. Groen met rood fluwelen rokjas van het Haagse Garde d’Honneur, circa 1810-1811, gemaakt van wol, zijden fluweel en metaaldraad.

Punkkostuum

Voor veel mannen bestaat het geklede leven uit een grijs pak, wit hemd en brave veterschoenen, een outfit die nadrukkelijk bedoeld is om geen fashion statement te maken, laat staan een politiek signaal af te geven.In meer revolutionaire kringen wordt kleding juist gebruikt als symbool van verzet. Vooral in politiek onstuimige tijden is kleding een ideaal middel om zich te profileren. In de late achttiende eeuw maakten de contrarevolutionairen hun politieke voorkeur duidelijk door het dragen van geel, de kleur van de Bourbons. Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog openbaarde zich het gevoel van verzet door het dragen van oranje of dassen met de Nederlandse leeuw. Na de oorlog gebruikten diverse jongerenculturen hun kleding om protest aan te tekenen tegen de gevestigde orde.

Het heftigste voorbeeld daarvan zagen we in de jaren zeventig, met de punkbeweging. Aardig aan het hier gefotografeerde, intensief bewerkte leren jack, is dat Ietse Meij, de voormalig conservator kostuumcollectie van het Gemeentemuseum Den Haag, het stuk letterlijk van iemands lijf heeft getrokken om het voor het museum te bemachtigen. Begin jaren tachtig sprak Meij de punker Ger de Kok op straat aan, om hem over te halen zijn zelfgemaakte creatie te verkopen. Het stuk beantwoordt aan alle voorwaarden van de punkbeweging zoals Ethel Portnoy die eens heeft beschreven in haar boek De geklede mens: ‘Evenals in andere subculturen worden ook door punkers leren jacks verkozen boven andere soorten jasjes. Buttons, sleutelbossen, veiligheidsspelden en teksten op de kleding zijn heel kenmerkend voor het punkkostuum.’ Ook dit kleurrijke jack zit vol sprekende buttons: ‘Nog heel even en ik kom in opstand’, ‘No work no joke’, en wat te denken van: ‘Stop de neurotenbom’. Leren punkjack afgewerkt met metaal, bewerkt met verf en voorzien van speldjes en gescheurde spijkerbroek met diverse teksten. Verkregen door het Gemeentemuseum in 1985.

Knickerbockers voor de jacht

Een blik op het Norfolk-pak roept associaties op met pijptabak, druilerige Schotse heuvels en klam ruikende cottages. Kenmerkend voor dit tweedelige pak, aanvankelijk bestemd voor het buitenleven en de jacht, zijn de verticale plooien in het jasje, de verstelbare ceintuur en de combinatie met knickerbockers. Het is gemaakt van tweed, de ruwe, duurzame wolsoort met de souplesse van plaatstaal en het comfort van schuurpapier.

Aan het einde van de negentiende eeuw was het Norfolk-pak niet alleen in de Angelsaksische wereld in zwang. Zo is dit exemplaar ooit gedragen door de in 1856 geboren Carel George Unico Willem baron van Heeckeren van Wassenaer, die reeds in 1883 aan de tyfus bezweek. Het pak is een raak voorbeeld van een kledingstuk dat in de sportwereld is ontstaan, maar later ook modieus gedragen kon worden voor informele gelegenheden. Een oudere generatie zal bij het zien van deze knickerbockers met heimwee terugdenken aan Zwitserse bergvakanties waar ook rode lange wollen sokken, een boerenzakdoek en een rugzak met loodzwaar metalen frame niet ontbraken. Een enkeling, onder wie prins Charles, waagt zich nog in knickerbockers, maar inmiddels is het wel een beetje een residu uit een vervlogen tijdperk.

Je kunt de knickerbockers zien als een hybride: geen echte lange broek, maar veel kuiser dan de bermuda. Zeker vroeger waren bij tal van Britse sporten korte broeken not done en nog steeds tracht men in Engeland de oprukkende casual terreur met een knipoog te weren. Neem een gerenommeerde golfcourse waar bij de eerste afslag een plakkaat vermeldt: ‘No shorts or sleeveless shirts on the course; unless tailored.’Norfolk-pak: jas, vest, knickerbocker uit 1883 of vroeger. Stof: wollen tweed en gemaakt door bespoke tailor MacDougall & Co Ltd. London.

Pak Yves Saint Laurent

Ondanks het vernieuwende en creatieve karakter van mode zullen thema’s, trends en kleuren uit het verleden in aangepaste vorm altijd blijven terugkeren. Neem dit donkerblauwe ribfluwelen pak van de onlangs overleden couturier Yves Saint Laurent. Het is geïnspireerd op het negentiende-eeuwse Norfolk-pak, maar dan passend in het modebeeld van de jaren zeventig.

Eerder al, in het midden van de jaren zestig, lonkte Saint Laurent met zijn fluwelen knickerbockers naar het verleden. Net als de jeans werd corduroy oorspronkelijk gebruikt als stof voor werk- of buitenkleding. En net als de spijkerstof heeft ook deze stof – zeker in de jaren zeventig – een modieuze ontwikkeling ondergaan.

Tegenwoordig associëren we ribfluweel niet meer met modieuze pakken, al brengen de Italianen een heel dunne variant – ook wel ‘babyroy’ genoemd – voor jasjes. In het Gooi en bij stoffige winkels als Het Jagershuis zijn de stevige bruine ribfluwelen broeken nog ruimschoots voorradig en van het bedaagde karakter zal deze stof niet snel afkomen. Een ribbroek is toch vooral Laren op zaterdagmiddag en prins Willem-Alexander in het weekend. Al moet gezegd dat prins Bernhard het vermogen had om klassieke zaken als ribstof, ruitjesjassen en chokers zo te dragen dat het toch schwung had. Het is jammer voor de natie dat alleen prins Maurits dat vermogen van zijn grootvader heeft geërfd.

Ondanks het modieuze karakter van dit blauwe pak van Yves Saint Laurent, is het uitgevoerd met de naar huidige maatstaven bizarre pijpwijdte van zo’n 27 centimeter. Die wijdte zal wel weer terugkomen, maar dan hebben we er nog wel zo’n zeven centimeter te gaan.Yves Saint Laurent Rive Gauche, blauw ribfluweel pak circa 1969

De Ideale Man: van 26 juli tot 26 oktober in het Gemeentemuseum Den Haag, Stadhouderslaan 41, Den Haag, www.gemeentemuseum.nl. Geopend van dinsdag t/m zondag en op feestdagen van 11-17 uur.