De vissen eten de lijken

Wordt cycloon Nargis de regering van Birma fataal? In de delta hebben boeren en vissers het te druk met overleven. Maar in de hoofdstad smeult de onrust. „Dit volk heeft leiders nodig die bereid zijn te sterven.”

Bijna alle bamboehuisjes langs de weg naar Bogalay zijn weer opgetrokken. Ze zijn gammel en scheef, maar ze staan. Zes weken nadat cycloon Nargis alle paalhutjes in de Irrawaddy-delta platlegde, hebben de boeren en vissers de onbruikbare restanten van hun vorige woningen opgestapeld, tussen de rijstvelden. De Birmezen zijn niet met hun armen over elkaar gaan zitten wachten op hulp.

Het stadje Bogalay is overvol doordat dorpsbewoners zijn neergestreken bij familie. Overal klinkt het getimmer van de wederopbouw. Panelen van gevlochten bamboe worden opgetrokken, roestige golfplaten weer op hun plaats gespijkerd. Buitenlandse hulpverleners die zich weken na de ramp door de bureaucratische molen van de regering hebben heengeworsteld, hebben van Bogalay hun distributiecentrum voor de oostelijke delta gemaakt.

Birma heeft nooit eerder een ramp van deze omvang meegemaakt en was niet voorbereid. Er was geen waarschuwingssysteem en geen evacuatieplan. De dijken beschermden de vlakke delta nauwelijks tegen de drie meter hoge vloedgolf. Volgens officiële cijfers leidde dat tot 84.537 doden en 53.836 vermisten van wie niemand gelooft dat zij nog leven. Opgeteld zijn dat bijna 140.000 doden, ruim de helft van de 230.000 slachtoffers die de tsunami in 2004 in Azië maakte. Waar regeringen na de tsunami hun grenzen openstelden voor hulp, schoot het militaire regime van Birma in een oude reflex: buitenlandse hulpverleners werden aanvankelijk geweerd en mogen nu alleen onder strikte voorwaarden werken. De junta schamperde dat Birmezen prima kunnen leven van de wilde planten en vis in de delta, en hekelde de ‘chocoladerepenhulp’ van het Westen.

De cycloon Nargis trof een land waar een kleine groep generaals sinds 1962 niet alleen de absolute politieke macht heeft, maar ook de natuurlijke rijkdommen – olie, gas, hout, metalen en edelstenen – exploiteert. Intussen blijft de bevolking straatarm. De frustratie van de bevolking werd de afgelopen decennia onderdrukt, zoals afgelopen september nog bleek toen een zeldzaam straatprotest van monniken en activisten hard werd neergeslagen. De vraag is of Nargis een keerpunt kan worden, of dat de ramp slechts een zoveelste klap voor de bevolking is.

De hulpgoederen die de VN, de internationale en Birmese hulporganisaties en particulieren naar Bogalay brengen, worden opgeslagen in het grote houten klooster aan de rand van de rivier. Terwijl Franse hulpverleners het dak repareren, beklaagt een monnik zich tegenover de bezoeker over het regime. „De regering wilde hier ook hulpgoederen opslaan. Na zes weken ligt er nog steeds niks. Ze hebben beloofd alles weer op te bouwen. Tot nu toe hebben ze alleen veel vergaderd.” Dan lacht hij. „Wij zijn Birmezen hè, wij verdragen het wel weer.”

De monnik heeft om veiligheidsredenen geen naam in dit verhaal. Hetzelfde geldt voor andere personen die erin voorkomen. Birmezen die kritiek op de junta uiten, wacht in veel gevallen vervolging, arrestatie en een lang verblijf in de gevangenis. De auteur blijft anoniem om bronnen te beschermen. Na Nargis werden leger en politie bij de checkpoints extra alert op de „ratten die ons land willen schaden”, zoals buitenlandse journalisten in de staatspers worden omschreven. De delta ging potdicht. In de afgelopen weken zijn buitenlanders het land uitgezet. Birmese journalisten en de kritische komiek Zarganar werden gearresteerd.

Een jonge kunstenares, zelf voormalig politiek gevangene, is een van de weinigen die nog een westerse journalist mee het gebied in durven nemen. Op de vraag waarom ze tot het risico bereid is, zegt ze: „Omdat jij dit verhaal aan de buitenwereld moet vertellen.” Met haar vrienden vormt zij een van de vele groepen vrijwilligers die geld inzamelen voor hulp. Dit is de twaalfde keer dat ze naar de delta afreizen om rijst uit te delen. De vrienden zijn al bekaf voordat ze ’s nachts vertrekken vanuit Rangoon.

Er moet een flinke dosis geluk in het spel zijn, want de auto bereikt het klooster in Bogalay zonder te zijn aangehouden. Des te groter is de schok als er op de aanlegsteiger van Pay Chaung een politieman en een soldaat staan. Pay Chaung is het dorp waar de monnik uit Bogalay de groep naartoe heeft gestuurd. Op deze controle, zo diep in de delta, was niet gerekend. Dan blijkt dat de soldaat en de politieman evenmin als de buitenlander zelf weten wat ze met de situatie aanmoeten. Ze volgen elke stap, maar grijpen niet in. Er is ook weinig dat ze kunnen doen. Pay Chaung, 1201 inwoners, is alleen per boot bereikbaar, via een wirwar van kleine riviertjes. „Zij is een student van de abt”, liegt de kunstenares terloops tegen de jonge agent. Daarmee is de weerstand gebroken. De abt is de baas in het dorp. Zwijgend helpt de agent de meegebrachte lunch het klooster van Pay Chaung binnen te dragen.

Terwijl de hulpverleners zich tegoed doen aan de garnalen, kip en linzensoep, stellen de dorpsbewoners zich op om hun vier koppen rijst per gezin, het rantsoen voor de komende vijf dagen, te ontvangen. Dat gebeurt onder gezag van de politieagent. De abt vertelt intussen hoe het kan dat in zijn dorp slechts twee mensen zijn omgekomen. Toen het eerste water van de vloedgolf het dorp bereikte, zijn de inwoners het uit baksteen opgetrokken klooster ingevlucht, dat de storm weerstond. Een dorp verderop, waar geen klooster is, zijn nog tien mensen in leven.

Alle huizen waren compleet verwoest, maar ook hier zijn ze inmiddels weer provisorisch opgebouwd. Het belangrijkste probleem, vertelt de abt nadat de hulpverleners de rijst onder de bewoners hebben uitgedeeld, is dat bijna alle buffels dood zijn. Half juli moet de rijst voor het moessonseizoen gezaaid zijn, maar zonder buffels kunnen de akkers niet geploegd worden. Dat probleem geldt voor de hele delta, de rijstkom van Birma. Volgens de VN is meer dan de helft van de lastdieren omgekomen en kunnen ruim 50.000 boeren geen moessonrijst inzaaien, waardoor de oogst honderdduizenden tonnen lager zal zijn als er niet snel hulp komt.

Voldoende nieuwe buffels zullen niet op tijd beschikbaar zijn. Er zijn er eenvoudigweg niet genoeg in het land, en import kost veel tijd. De beesten werken bovendien in paren, maar worden op de veemarkten per stuk verkocht en moeten daarna gekoppeld en getraind worden. Kleine landbouwmachines waar een ploeg achter gehangen kan worden, zijn het alternatief. Maar ook die zijn schaars.

Volgens de regering is er geen vuiltje aan de lucht. Zij houdt vol dat slechts een procent van de Birmese landbouwgrond is beschadigd. Om welk percentage het werkelijk gaat, is niet te zeggen, omdat betrouwbare gegevens over het landbouwareaal, de opbrengst en de rijstvoorraden niet bestaan. Duidelijk is dat het om veel meer dan een procent gaat.

Voorlopig kan bijna geen van de boeren in Pay Chaung rijst inzaaien. Een boerin met bijna vier hectare grond heeft nog twee van haar zes buffels over, maar de dieren zijn zwak en gestresst na de cycloon en ziek van het zoute water dat ze hebben gedronken. Het is afwachten of ze op tijd zijn aangesterkt om de ploeg te trekken. De boerin weet nog niet of het zin heeft om te ploegen, want het is de vraag wat er over is van haar zaaigoed, als dat nog op tijd is opgedroogd. Ze heeft geen andere bron van inkomsten, maar blijft hopen. „De oogst zal kleiner zijn, maar ik denk dat ik het ga redden”, zegt ze afgemeten.

De regering heeft het dorp zaad beloofd, maar nog niet geleverd, vertelt de abt. Twee weken geleden hadden de landbouwmachines van buitenlandse donoren moeten arriveren. Sindsdien is niets meer vernomen. Ook de regering stelt machines beschikbaar. Te koop voor anderhalf miljoen chat, omgerekend 800 euro, af te betalen in drie jaar. Alleen boeren met veel grond kunnen zich dat veroorloven. De meeste dorpelingen, vreest de abt, zullen ook na de oogst in november afhankelijk zijn van voedselhulp.

Als de hulpverleners afscheid nemen, loopt de aanlegsteiger vol. Dan begint de boottocht terug naar Bogalay, door een landschap van ontwortelde bomen en kale rijstvelden, waartussen steeds de blauwe zeiltjes opduiken waarmee de huisjes zijn gerepareerd. De waterwegen zijn zo goed als verlaten. Tweederde van de vissersbootjes is door de storm kapotgeslagen. De opgezwollen, verstijfde lijken die hier een week eerder nog dreven, zijn inmiddels richting zee gespoeld. Het was niet nodig om ze te bergen, had een generaal enkele weken na de storm gezegd. „De vissen zullen ze wel opeten.”

In het klooster in Bogalay verwoordt de monnik op de kalme, zachte toon de frustratie van de bevolking. „Vrijwel alle hulp komt van particuliere donoren en het buitenland. De mensen zeggen dat ze zich genegeerd voelen door de regering. Dan fluistert hij tegen de bezoeker: „Geef mij ook eens zo’n sigaret.” De monnik rookt terwijl de kunstenares en haar vrienden op hun knieën voor hem liggen om afscheid te nemen.

Er zijn tot nu toe weinig tekenen dat de wanhoop en de woede in de delta zullen culmineren in een opstand. In september vorig jaar gingen monniken de straat op om te protesteren tegen de verhoging van de brandstofprijzen. Hun omgekeerde bedelnappen symboliseerden een krachtige afwijzing van het regime. Gewone Birmezen vormden beschermende hagen langs de stoeten. Het was het grootste protest sinds de studentenopstand in 1988. De twee, bloedig neergeslagen protesten zijn de ijkpunten voor iedereen die politieke verandering wil in Birma. Maar in de delta proberen de boeren en vissers nu vooral te overleven.

Intussen broeit het in Rangoon. Daar heerst de stille hoop dat uit de ellende van Nargis weer een vonk zal ontstaan. Veel wegen zijn er weer begaanbaar en veel huishoudens hebben weer elektriciteit. Maar de inwoners klagen over de prijzen voor brandstof, rijst en andere levensmiddelen, die na de cycloon met 50 tot 100 procent zijn gestegen. Daarbij komen de verontwaardiging dat zij en de monniken, in plaats van de regering, het voortouw moeten nemen in de hulp aan de slachtoffers van Nargis, en de verse herinnering aan de neergeslagen opstand van september.

„Vóór Nargis was er een teer evenwicht in de verhouding tussen de bevolking en de regering. Dat is nu verbroken”, zegt een politiek analist in de hoofdstad. „Het regime heeft nog nooit zo zwak gestaan. Een staatsgreep of een volksopstand heeft nu gemakkelijk kans van slagen.” Het is onmogelijk te voorspellen wat de druppel zal zijn, zegt hij. „Een rijsttekort, een opstand in het leger door de beschadigde reputatie, er zijn aanleidingen genoeg. Ik ben heel optimistisch dat er iets gaat gebeuren.”

Niemand verwacht dat de Nationale Liga voor Democratie (NLD) van oppositieleider Aung San Suu Kyi een opstand zal organiseren. De partij werd opgericht na het studentenprotest van 1988 en won glansrijk de verkiezingen in 1990. Dat was niet de bedoeling. Het nieuwe parlement werd nooit bijeengeroepen, en veel NLD-leden verdwenen voor jaren achter de tralies. Aung San Suu Kyi was al voor de verkiezingen onder huisarrest geplaatst en dat is in mei weer verlengd. Alle regionale kantoren zijn al jaren dicht en het ledental is teruggelopen van ruim twee miljoen in 1990 tot 10.000 nu.

„Ik was vol verwachting na Nargis”, vertelt een voormalig lid, dat zegt uit onvrede over het gebrek aan daadkracht de partij te hebben verlaten. „Ik dacht: nu gaat het gebeuren, een ramp van deze omvang moet de regering een geweldige hoofdpijn bezorgen. Maar de NLD deed niets.”

Een van de bestuursleden van de partij heeft net vergaderd over de distributie van hulpgoederen in de delta. Hij zegt dat de partij niet gelooft in „het gebruik van de volkswoede tegen de regering”. „We willen dat de regering van de ramp leert hoe zij voor de bevolking moet zorgen. Iedereen is kwaad, maar we moeten ons beheersen. Het regime is uit op vechten, maar wij willen de ramp niet politiek maken.” En democratie moet tot stand komen door dialoog en verzoening.

De NLD heeft haar hoop op de internationale gemeenschap gevestigd om die dialoog op gang te brengen. „VN-secretaris Ban Ki-moon heeft nu zelf gemerkt hoe bedrieglijk de regering is”, zegt het bestuurslid. „Ze heeft hem beloofd alle buitenlandse hulpverleners toe te laten. Maar ze doet het niet.”

Een groeiend aantal mensen in Rangoon wil daar niet op wachten. Na de zogeheten ‘saffraanrevolutie’ in september hebben zich kleine ondergrondse verzetsgroepen gevormd van jonge mensen, dertigers, die zich, aangemoedigd door de schaal van de demonstraties toen, bezinnen op nieuwe protesten. Wat vorig jaar spontaan groeide, moet nu grondig worden voorbereid en leiden tot een massale opstand.

Een ontmoeting met enkele leden wordt zorgvuldig gepland, alles op hun voorwaarden. Een afspraak op een straathoek, een omweg door de stad en dan gesprekken in de achterkamers van verschillende restaurants. Daar vertellen ze „alles over te hebben voor de omverwerping van deze dictatuur”. Ze knikken driftig op de vraag of ze bereid zijn daar met hun leven voor te betalen. „Natuurlijk”, vertelt een jongeman, die al zijn tijd heeft ingeruimd voor deze missie. „Dit volk heeft leiders nodig die bereid zijn te sterven.”

De groepen zijn onderling nog verdeeld over de mate van geweld die ze zichzelf zullen toestaan. Sommigen pleiten voor geweldloze actie, anderen willen in staat zijn om kogels te beantwoorden. De jongeman: „In Birma kunnen we elke minuut gedood worden. Ik heb een familielid zien sterven door kogels van het leger, gezien hoe ze een vriend van me doodsloegen. Ik wil aanvallen.” De vrouw in het gezelschap vat samen: „De meesten van ons zijn het er over eens dat het niet geweldloos kan.”

Voor een geslaagde opstand hebben ze de monniken weer nodig, weten de activisten. Als die volgen, zal het volk ook durven volgen. Een jonge monnik die vanuit het noorden naar Rangoon is gekomen, wil graag meewerken. Hij is woedend op de junta. Over de veel te kleine rantsoenen die zij de slachtoffers verstrekken, over de doden die niet begraven worden, en nog altijd over het geweld dat de militairen vorig jaar tegen de monniken hebben gebruikt. Al die dingen zijn strijdig met het boeddhisme, legt hij uit. En monniken moeten hun religie verdedigen. Desnoods met geweld.

Om veiligheidsredenen is de naam van de auteur van dit artikel niet vermeld